‘Pakezels lopen altijd scheef’, gaf ik als verklaring in de hoop dat het gesprek daarmee beĆ«indigd was. Ik ken mijn Truusje. Voordat je het als echtgenoot in de gaten hebt heeft ze zich al in een verpleegsterspakje gehesen en worden er strippen met mollen en een glas wegspoelvloeistof op tafel gezet.
‘Je loopt alsof je een drol in je broek hebt hangen.’
‘Die ligt dan ergens centraal in het midden. Daar loop je niet scheef van.’
‘Neem die tas dan in je andere hand!’, klonk het advies.
‘Dat helpt niet. Dan loop ik nog scheef. Maar dan aan de andere kant.’
‘Ik zei nog, laten we een karretje nemen.’
‘Voor die paar boodschappen?’ Ik heb een hekel aan die dingen.
‘Dan moet je ook niet zeuren.’
‘Wie zeurt er nou!’, riep ik boos.
‘Jij, jij loopt scheef!’
Pffft, het bleef maar doorgaan.
‘Heb je je soms verrekt?’
Ik slaakte een diepe zucht. Ik zag mijzelf al op de onderzoekstafel liggen met een trechter op mijn mond waar om de vijf minuten een pil in werd gemikt en met een bak water weggespoeld.
‘Geen idee, Truus. Ik zal het straks aan de ezel vragen.’
Bart
