‘Van de kerstman?’, vroeg ik.
‘Rinus Andriessen. Ik kwam hem gisteren in de Super tegen.’
‘Ken ik niet. Dus geen groeten terug.’
‘Hij kent jou wel.’
‘Hoe moet hij mij kennen?’
‘Omdat ik hem heb verteld wie jij bent.’
‘Wat heb je hem verteld?’
‘Dat jij Bart bent, getrouwd bent met Truus, dat je hier woont, veel veegt en vooral alles van de buurt weet.’
‘En toen zei hij “goh, die ken ik. Doe hem de groeten van mij”? Raar gesprek Karin.’
‘Nee Bart, nee. Deze Rinus heeft bij jou op school gezeten.’
‘En hoe weet hij dat zo zeker?’
‘Omdat ik onlangs hoorde dat jij op de MULO hebt gezeten. Dat hoorde ik van de zus van Ans Hofma. En dat vertelde ik Rinus en toen ging er bij hem een lampje branden. Snap je?’
‘En wat deed hij met dat lampje?’
‘Wat bedoel je? Met dat lampje? Ik snap je niet. Daar deed hij niks mee.’
‘Dat is jammer, Karin. Als hij even goed op je nek had geschenen had hij vast dat mondje ontdekt waar jij constant kletsverhalen uit laat ontsnappen.’
Bart
