Een knal
‘Een knal?’
‘Ja, dat zeg ik. Er viel ergens iets.’
‘Misschien bij Agnes? Had ze een vriendje op bezoek?’, vroeg ik.
‘Geen idee, dat hou ik niet bij, Bart. Het was een doffe dreun.’
‘Raar dat jij hem niet hoorde!’
‘Ik was bezig met een zaag. Dat geluid overstemt elke knal van betekenis.’
‘Je lag inderdaad te zagen.’
‘Was je aan het dromen?’, vroeg ze.
‘Ik was bezig het fietsslot van je moeder door te zagen. Ze was haar fietssleutel weer eens kwijt.’
‘Hoezo “weer eens kwijt”? Die is ze nooit kwijt. Hij hangt altijd aan het haakje.’
‘O kijk, dan was dat de knal die je hoorde.’
‘Hoe bedoel je?’
‘De fietssleutel. Die is natuurlijk van het haakje geduveld.’
Bart