‘Dat is muziek, Bart. Van de zoon van achterbuurman Hansen. Die is denk ik thuis.’
‘O kijk, ik loop er meteen even heen. Is hij nou helemaal van de pot gerukt.’
‘Dag Hansen’, probeerde ik bij de voordeur het kabaal te overstemmen.’
‘O kijk, onze achterbuurman. Is er iets?’, riep hij nors.
‘Ja, kun je je zoon vragen om die teringherrie wat lager te draaien?’
‘Teringherrie? Dit is muziek! Rapmuziek.’
‘Interesseert me geen hol. Laat hem even zachter zetten. We worden er knettergek van.’
‘Meneer Bart, weet u eigenlijk wel wat rapmuziek is?’ Hij keek me wazig aan.
‘Ja, dat wordt gemaakt door eencelligen waarvan de linker en rechter hersenhelften niet met elkaar communiceren. Omdat ze elkaar vanwege die herrie niet kunnen verstaan.’
‘Rapmuziek is cultuur meneer’, verklaarde hij.
‘Rapmuziek is een afwijking’, verklaarde ik.
‘Dat uw zoon dat mooi vindt. Heeft hij soms een rugzakje?’
‘Een rugzakje? Eh… ja, dat klopt.’
‘Kijk, dat dacht ik al’, zei ik.
‘Hij reist er elk weekend mee van de universiteit naar huis en na het weekend weer terug.’
‘Maar nu dus niet. Nogmaals, kunt u hem vragen of het zachter kan?’, riep ik flink geïrriteerd.
‘Nee, want hij is niet thuis.’
‘Niet thuis? En die herrie dan?’
‘Dit is mijn muziek. En die kan ik niet zachter zetten. Mijn linker en rechter hersenhelft kunnen vanwege het kabaal niet meer met elkaar communiceren.’
Bart
