‘Wat moet je daarmee?’, vroeg ik.
‘Boodschappenbriefje maken’, antwoordde ze.
‘Schrijven bedoel je’, verbeterde ik haar. ‘Briefjes maken ze in de papierfabriek. En ik zou dat niet weten als mijn oom Anton niet in zo’n fabriek had gewerkt.’
‘Oom Anton produceerde daar briefjes en plakte ze dan samen tot notitieblokjes. En die blokjes gebruik jij om je boodschappen op te schrijven.’
‘De blauwe pen Bart. Heb je die nou of niet?’, hoorde ik haar met lichte kracht in haar stem vragen.
‘Nee, die heb ik niet.’
‘Heb jij oom Anton nog gekend? Of was jij toen nog geen lid.’
‘Geen lid?’
‘Ja, van onze familie. Kende jij hem?’
‘Nee, en dat hoeft toch ook niet?’
‘Je hebt wel wat gemist hoor, Truus.’
‘Dat zal. Maar hij heeft vast zijn lidmaatschap inmiddels opgezegd.’
‘Lidmaatschap opgezegd?’
‘Ja, van jouw geweldige familie. Hij is lid geworden van de “laatste rust”. En als we het dan toch over “missen” hebben, ik mis nog steeds mijn blauwe pen.’
Bart
