Ik keek hem aan en constateerde een zwaar verweerd gezicht wat boekdelen schreef. Een deel over zijn boerenleven, een deel over de strenge winters, een over het keihard werken en misschien wel één over een leven met een dominante schoonmoeder. Daarmee was het gezicht er nog niet want ik stond voor zijn toonbank.
‘Wat moet ik zeggen?’, vroeg ik.
‘Waar ik u mee kan helpen’, verduidelijkte hij.
‘Nou, dat aanbod pak ik met beide handen aan.’
‘Mooi’, reageerde hij. ‘Dan zou ik zo zeggen: brandt los!’
‘Oké, heeft u een pen en papier bij de hand?’, vroeg ik voor de zekerheid.
‘Nou, die heb ik niet nodig, meneer. Ik ben nog helder van geest.’
‘Kijk, dat is goed nieuws.’
‘Volgens mijn Truus moet het gras eerst geverticuteerd. Klopt dat?’
‘Jazeker, dat heeft uw Truus goed gezien.’
‘Mooi, dan moet er kalk op en misschien ook nog een laagje mest. Vervolgens moeten de kanten recht worden afgestoken en wil ze schone tegels. En dan liefst niet met een hogedrukspuit want dan vliegen de voegen eruit. Tot slot moet er mest over de border en de takken van de vlinderstruik gesnoeid.’
Ik keek hem verwachtingsvol aan.
‘En toen?’, vroeg hij.
‘Ach ja, de belangrijkste vraag: wanneer heeft u tijd?’
‘Tijd? Zal ik niet eerst een offerte maken?’
‘Een offerte? Hoezo een offerte? U vroeg toch waarmee u mij kon helpen? De rest doe ik zelf wel.’
Bart


