‘Voordat ik het vergeet, jij bent vanochtend toch thuis?’, vroeg Truus terwijl ze haar jas aantrok en haar hand ophield voor de aanpak van de autosleutels die ik uit mijn zak had gevist.
‘Ja, hoezo?’
‘Marian komt straks de stofschaar ophalen. Ligt op de tafel in mijn naaikamertje.’
‘Marian? Wie is dat?’
‘Van Rolf, de autoverkoper van verderop. Zij werkte bij de NS.’
‘O, je bedoelt die bij de stationsomroep zat?’
‘Juist Bartje, die bedoel ik.’
‘Zal vast pas vanmiddag komen’, veronderstelde ik.
‘Hoezo vanmiddag?’
‘Ik denk vanwege vertraging. Ik zal zo even luisteren.’
‘Hoezo luisteren?’
‘Gaat ze vast omroepen’, grapte ik.
‘Ze was geen omroepster, ze assisteerde.’
‘Maakt voor de vertraging niks uit!’
‘Zwamneus. Kusje.’ Ze boog zich voorover en met een “pas op met oversteken” vertrok ze.
Toen ze aan het begin van de middag terugkeerde en we de schoonmoederbelevenis hadden doorgesproken informeerde ze nog even naar mijn ochtendervaring.
‘Is Marian nog geweest?’
‘Jazeker, was erg leerzaam’, vond ik.
‘Hoezo?’
‘Ik weet nu wat ze, na vier keer professioneel aanbellen, bij de omroepafdeling van de NS uitvoerde.’
‘O? Vertel?’
‘Ze mocht op de “Ding-Dong knop” duwen.’
Bart

