De schone slaapster
‘Kijk eens goed? Zie je mij carnaval vieren?’
‘Nee je bent nu aan het vegen. Maar komend weekend?’
‘Ik zal nooit carnaval vieren. Ik ben Hagenees en die zijn verstandig.’
‘Ik ben een Brabo en niet verstandig. Maar Hagenezen kunnen er ook wat van hoor. Kijk maar eens naar het Kabinet!
‘Ja, die Faber kan zo met de optocht mee!’, lachte ik.
‘Ik ga het weekend naar Oeteldonk’, lachte ze.
‘Kijk, dat bedoel ik. Oeteldonk. Wat moet ik me in hemelsnaam bij een Oeteldonk voorstellen? Is dat je nieuwe vriend?’
‘Nee dat is de carnavalsnaam van ‘s-Hertogenbosch. Ik logeer daar bij mijn ouders.’
‘Tjonge jonge, Oeteldonk. Hoe verzinnen ze het! En ga je ook verkleed?’
‘Ja, natuurlijk. Ik ga als de schone slaapster.’
‘Ha kijk, daar kan ik me wel iets bij voorstellen.’
‘Iets bij voorstellen?’, lachte ze.
‘Ja, je werkt toch bij de gemeente?’
Bart