Ze schuifelde langzaam in mijn richting totdat het hondje pardoes aan de handrem trok en aan een struikje begon te snuffelen.
Het “Bopje” keek haar met enige wanhoop aan. Ik sloeg ondertussen het circusje vanaf onze oprit gade.
‘Volgens mij hoeft hij niet plassen’, bemoeide ik mij ermee.
‘Hij móet plassen, meneer Bart. Zijn tankje is vol. Hij heeft vanochtend al twee bakjes water gedronken.’
‘Misschien zit er een propje voor?’, opperde ik.
‘Een propje? Waar zit een propje voor?’
‘Waar denkt u mevrouw Hansen? Waar zou het propje vóór moeten zitten? Voor zijn fluitje misschien?’
‘O nee, dat zeker niet, meneer Bart, want hij fluit nog prima. Ik denk dan eerder een propje in zijn oortjes, want hij luistert voor geen meter.’
Bart
