Totaal aantal pageviews

zondag 4 januari 2026

Goedmakertje

   
Altijd leuk om op de zaterdagmiddag een bezoekje aan de IKEA te brengen. En dan niet direct het kopen van prullaria, nee, het leukgehalte wordt vooral bepaald door het collega-koopvolk wat gericht op zoek is. 

Zo slenterden we door de beddenafdeling waar een koppel ruzie stond te maken over de kwaliteit van het aangeboden bed. Volgens mij hadden ze tijdens hun huwelijkse periode al de nodige kilometers gemaakt en waren voldoende ervaren.

‘De lattenbodem is te slap’, constateerde de vrouw in kwestie.
‘Die kun je stellen’, wist de bedgenoot.
‘Die kun je niet stellen, Albert.’
‘Waarom zou je hem willen stellen?’
‘Omdat jij zwaar bent.’
‘Ik lig toch aan de andere kant?’
‘Dat maakt toch niet uit?’
‘Waarom maakt dat niet uit?’
‘Omdat je dan nog net zo zwaar bent.’
‘Ik ben helemaal niet zwaar.’
‘Man, lul niet. Je bent boven de honderd kilo.’
‘Nee, hoor wie het zegt.’
‘Ik ben er helemaal klaar mee!’
‘Jij bent altijd overal klaar mee’, schreeuwde hij.

‘Zullen we doorlopen?’, stelde Truus voor. Ze ergerde zich.
‘Even wachten, ze gaan zo de lattenbodem testen.’
‘Testen?’
‘Ja, ik herken dat wel: ze staan op het punt om de ruzie bij te leggen.’ 

Bart


Taxi

   
‘Schat, wil jij Mama even ophalen?’
‘Kan niet. Ik heb geen zitje achterop de fiets. Wat moet ze dan?’
‘Met de auto, Bart. Ophalen met de auto. Het regent en ik ga samen met haar boodschappen doen. Sociaal doen. Snap je?’

‘Waarom haal jij haar dan niet op en rij je meteen door?’
‘Omdat ik nog druk ben. En ze staat over tien minuten klaar. Dus..’
‘Word ze soms buiten gezet?’
‘Joh, doe nou gewoon wat ik vraag. Stap in de auto en haal haar op.’

‘Wat een onzin. Ik snap die haast niet.’
‘Soms moet je opdrachten gewoon uitvoeren. Zonder commentaar.’
‘Je kunt het mij toch gewoon uitleggen?’
‘Nee, dit valt niet uit te leggen.’
‘Kijk, dat bedoel ik dus.’

‘En waarom valt het niet uit te leggen?’
‘Omdat ik het ook niet weet.’

Bart

De viering

De viering 

‘En Bart, vieren jullie nog Sinterklaas dit jaar?’, vroeg een dame die ik herkende als buurtgenote Meijer. Ze stond voor mij in de Super waar ik op dat moment net bezig was mijn karretje met zakjes pepernoten te vullen.

‘Nee, die heb ik vorig jaar in een lekke teil de Noordzee opgeduwd. Opzouten met die vent.’
‘Nou nou nou, meneer Bart toch. Je gaat onze kindervriend toch niet de Noordzee opjagen?’
‘Ik wel. Ben er helemaal klaar mee.’

‘Wil je er over praten?’
‘Nee. Geen behoefte. Ik kreeg namelijk vorig jaar een gedicht waar de honden geen brood van lusten.’

‘O? Was het zó erg?’
‘Ja, het was zó erg zelfs dat ik nóg elke letter op kan dreunen.’
‘Nou? Laat horen dan?’
‘Luister en huiver mevrouw Meijer.’

‘Bard is goed in taal,
Hij schrijft daags een verhaal,
Maar ook verbaal, 
gaat deze Bard met woorden aan de haal. 
De Sint heeft van Bard veel geleerd en hem daarom met dit gedicht geëerd.’ 

‘Nou ja Bart, dat is toch een prachtig gedicht?’
‘Echt niet. De idioot. Hij heeft tot drie keer toe mijn naam verkeerd gespeld.’

Bart

Een kaartje

Een kaartje

‘Gaan we dit jaar nog kerstkaarten versturen?’, vroeg Truus tijdens ons tien uur koffiemomentje. 

Ik schrok me rot, verslikte me en spuugde een deel van de koffie terug in het kopje.

‘Wat doe jij nou raar?’ 
‘Kerstkaartjes! Truus, hoe kom je erbij. Dat is zó negentientachtig vorige eeuw.’
‘We sturen elk jaar kaartjes, dus waarom dit jaar niet?’

‘Dat leg ik je net uit, schat. Ik vind het zo’n onzinnige activiteit. Je koopt een kaartje, pakt een pen en schrijft de geweldige originele tekst: “Wij wensen jullie fijne kerst en alle goeds voor het nieuwe jaar. Bart en Truus.” Ome Wim, de ontvanger, vinkt ons dan af van zijn adreslijst, pakt een kaartje en schrijft de geweldige originele tekst terug: “Wij wensen jullie fijne kerst en alle goeds voor het nieuwe jaar. Wim en Tonnie”. Vervolgens vink jij Wim en Tonnie af van jouw adressenlijst en is de actie rond. En dit herhaalt zich dan een keer of vijftig.’

Ze keek me aan. 

‘Klaar?’
‘Ja. Hoezo?’
‘Ik heb net een eerste kaartje ontvangen. Van ome Wim.’

‘Kijk, Truus, dat bedoel ik. En nu gaan wij een kaartje terugsturen.’
‘Nee, niet wij. Ik. 
Ome Wim zag het waarschijnlijk al aankomen. Je bent als ontvanger geëlimineerd.’ 

Bart




Een vraag

Een vraag

‘Komen er nog kerstkransjes dit jaar?’, vroeg ik uit pure nieuwsgierigheid. Gewoon een vraag. Zoals je wel vaker een vraag stelt. Niks bijzonders. Kerstkransjes. Wat kan er mis mee zijn? Ik stel wel vaker een vraag. 

Zo vraag ik ook wel eens wat we eten. Of, wat we gaan doen om de dag op te vullen.
Er worden in je leven zoveel vragen gesteld, dat deze kerstkransjesvraag moet kunnen, toch?

Alhoewel, ik merk wel vaker dat mijn vragen niet altijd serieus worden genomen. Zo vroeg ik laatst hoe het met haar moeder ging. Mijn schoonmoeder. Ze was bij haar laatste bezoekje wat snifferig geweest. Dus dacht ik bij mijzelf: gewoon even vragen, Bart. Medemenselijkheid tonen. 
Ik weet nog dat ze me met een enorme verbazing aankeek. Heel bijzonder. 

Maar goed, kerstkransjes. Ik stelde deze vraag omdat ik er vorig jaar van werd verdacht de kransjes uit de boom te hebben gestolen. Dat was niet ik maar de hond van onze zoon die een paar daagjes was wezen logeren. De ondeugd. Maar volgens Truus kon Fikkie onmogelijk de boom inklimmen. Dus…

‘Komen er nog kerstkransjes dit jaar?’, herhaalde ik mijn simpele doodnormale vraag. 
Ze keek me met een enorme verbazing aan. Heel bijzonder.

Bart

Ene Karl

Ene Karl

‘Ha Carla, jij bent er al vroeg bij vandaag’, merkte ik op tegen onze buurtgenote die aan onze oprit voorbij kwam trippelen. Ik stond nog in mijn gevechtspak bij de kliko om wat overbodig spul te deponeren.

‘Ja, ik moet opschieten. Karl rijdt met mij mee voor een kerstboom.’
‘Karl?’
‘Ja, die woont hierachter. Dat is dat kleine armetierige mannetje. Maar hij heeft een busje. Een kerstboom in een Porsche werkt namelijk niet’, lachte ze.

‘Nou ja, ligt eraan hoe groot hij is. Heb jij altijd zo’n grote boom dat hij alleen met een vrachtwagen aangeleverd kan worden?’
‘Ik hou van groot en stevig, Bart.’Ze lanceerde een knipoog. 

‘Wie is Karl? Ik ken hem niet. Is dat je vriendje?’
‘O, alsjeblieft niet zeg. Nee, ik sprak hem laatst bij de Super. Hij had daar een kerstboom gekocht voor zijn moeder en laadde hem in zijn bus. En toen zag ik mogelijkheden.’
‘Hij waarschijnlijk ook’, lachte ik.

‘Nou, dat kan hij dan vergeten. Zoals gezegd hou ik van groot en stevig.’

Bart

ophangklus

Ophangklus

Morgen Bart’, hoorde ik de stem van Agnes achter mij. Ik balanceerde bij de voordeur op een keukentrapje voor het ophangen van kerstlampjes.

‘Ik kan even niet omkijken, maar ook goede morgen gewenst, Agnes.’

‘Ga jij gezellige verlichting ophangen bij de voordeur?’
‘Ik ga lampen ophangen. Of het gezellig wordt betwijfel ik. Ben al bijna drie keer van dit trapje gelazerd. Klote lampen!’
‘Waarom hang je ze op dan?’
‘Opdracht van Truus.’

‘En jij doet dat zomaar? Met gevaar voor eigen leven?’
‘Ja, zo ben ik. Gehoorzaam tot op het bot.’
‘Er hangt een lampje los. Is van het spijkertje geschoten.’
‘Kan ik op rijmen. Waar?’
‘Halverwege. Ja, nog iets naar rechts, ja, nog iets!’
‘Deze?’
‘Ja, die.’

‘Of is die stuk?’
‘Ja, haakje ligt eraf. Maar ik laat het maar zitten.’
‘Staat niet netjes, Bart.’

‘Wat staat niet netjes?’, hoorde ik de stem van Truus achter mij die op het kabaal was afgekomen.
‘Er hangt een lampje los. Ik heb het de timmerman net uitgelegd.’
‘O ja, ik zie het. Geen gezicht Bart. Haal de hele ketting er maar af. Dat moet je eerst maken.’

‘Ik haal er niks af!’
‘Dat kan zo niet’, vond ze.
‘Oké, pak even een schaar, dan repareer ik het zo wel.’

Vijf seconden later had ik de schaar en knipte het lampje er tussenuit.

‘Wat doe je nou?’
‘Het moest toch gerepareerd? Wel, nu zit het weer netjes, toch?’
‘Maar nu branden de lampjes niet meer!’  
‘Je kan niet alles hebben Truusje. Maar ze hangen nu wel “gezellig” recht.’

Bart

Spiegeltje

Spiegeltje

‘Neem even het spiegeltje mee’, riep Truus vanuit de kamer. Ik stond in de keuken.
‘Wat wil je weten?’
‘De spiegel!’
‘Ja, die komt eraan maar ik vroeg me af wat je hem wil vragen.’
‘Ik wil gewoon even wat bekijken. Neem hem nou maar mee!!’
‘Wat wil je bekijken dan?’
‘Of ik er nog een beetje leuk uitzie. Nou goed?’
‘Kun je mij ook vragen, toch?’
‘Dan krijg ik een raar antwoord. Ik wil zelf kijken.’
‘Beetje vreemd, Truus. Je bent zoals je bent. Daar kan zo’n spiegel ook niet veel meer aan  veranderen.’
‘Joh, neem je die spiegel nou nog mee of niet!’
‘Waarom word je nou boos?’
‘Ja, omdat je weer zo idioot doet!’
‘In dat geval kan ik de spiegel beter in de keuken laten staan. Als hij jou zo boos ziet, geeft hij vast ook een raar antwoord.’

Bart

Kerstmarkt

Kerstmarkt

‘Misschien straks even over de kerstmarkt lopen?’, hoorde ik Truus voorstellen. ‘Dan nemen we Mama ook mee.’

Ik dacht eerst dat ik het niet helemaal goed had gehoord, maar bij de herhalingsvraag kreeg ik hetzelfde te horen.

‘Wacht even Truus, ik hoor twee dingen. Ten eerste “over een kerstmarkt lopen” en dan nog “nemen we Mama ook mee”.’
‘Ja, is toch gezellig? Glühweintje drinken, bratwurst eten, kortom: leuke dagvulling. Ik zal Mama even bellen.’ 

Ze liep naar het kastje om haar telefoon te pakken.

‘Wacht even, heb ik ook nog wat in te brengen?’
‘Hoezo?’
‘Nou ja, de combinatie staat mij niet aan.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Bratwurst, glühwein, je moeder… Niet echt geweldig.’

‘Oké, dan laten we de glühwein en de Bratwurst toch achterwege.’

Bart

Kerst-eters

Kerst-eters

‘En, krijgen jullie nog eters met kerst?’, vroeg de aan onze oprit passerende Karin Krul (buurtroddelaarster). Ik stond net met mijn achterwerk gebukt naar de straatkant, en zag haar niet aankomen. Ik schrok me dus een geforceerde rugspier en kwam moeizaam, maar vooral ook pisnijdig overeind.

En, altijd als ik pisnijdig overeind kom, ben ik niet te genieten en is een gewoon gesprek tijdelijk niet mogelijk. Zo ook dit keer.

‘Karin, jij beschikt over het fatale talent om altijd op ongelegen momenten je mond open te trekken.’
Ze keek me verbaasd aan.
‘Ik mag toch wel een vraag stellen?’
‘Nee. En waarom zou je willen weten of wij eters krijgen? Om het vanachter de kassa bij de Super te delen met de rest van de buurt?’
‘Hoe kom je daar nou bij, Bart? Wat ben je toch een nare man.’

‘Nee, ik sprak Annie van der Heuvel en die vertelde mij in vertrouwen dat haar zus met kerst overkomt uit Australië. Zij en Joop hebben de reis betaald want die zus ligt in scheiding. Vandaar.’

‘Vandaar? Hoezo “vandaar”?’, reageerde ik nog steeds nijdig.
‘Daarom stelde ik jou die vraag, Bart.’

‘Wat hebben onze kinderen en kleinkinderen in vredesnaam met de gescheiden zus van Annie te maken?’

‘O, kijk, komen je kinderen en kleinkinderen met kerst? Gezellig! O ja, Bart, nu we het er toch over hebben… Ik sprak vorige week je schoonmoeder. Ze wacht ook nog op een uitnodiging.’

Bart




Avondeten

Avondeten

‘Zijn er al plannen rond het voedsel wat wij vandaag tot ons nemen?’, vroeg ik tijdens ons tien uur koffiemomentje.
‘Voedsel?’
‘Ja, wat we eten. Op zijn Hollands: wat krijgen we vanavond op ons bord.’

‘Dat weet ik nog niet. Misschien heb jij een idee?’
‘Hoezo ik? Jij regelt dat toch? Of zijn de rollen zonder overleg omgedraaid en moet IK achter het fornuis.’
‘Laten we dat maar niet doen’, hoorde ik haar reageren. Ik ben weliswaar ingeënt, maar dat geeft geen garantie dat ik jouw brouwsels overleef.’
‘Blij toe, schat. Maar goed, ik heb nog geen antwoord gekregen op de vraag wat er vanavond op tafel staat.’

‘Nou ja, ik heb vandaag weinig tijd dus zal het iets simpels worden.’
‘Hoezo weinig tijd?’
‘Ik ga met Annie naar de stad.’
‘En ons eten dan?’
‘Ik denk dat we vanavond uit de diepvries eten.’

‘Uit de diepvries?’
‘Ja, problemen mee?’
‘Nou ja, moet ik de tuinstoelen weer uit de garage trekken. Niet handig.’
‘Hoezo tuinstoelen?’
‘Omdat ik geen zin heb in een staande receptie. En om de diepvries nou naar de eetkamer te slepen gaat mij echt te ver.’

Bart

Tellen

Tellen

‘Dus als ik het goed begrijp, dan zitten we tijdens het kerstdiner met twaalf personen aan tafel’, concludeerde ik nadat ik het lijstje had afgewerkt en vervolgens de namen had geteld.

Ik maak elk jaar een lijstje om de zaak in goede banen te leiden. Dat doe ik omdat Truus dat niet beheerst. Die is goed in de keuken. Organisatorische zaken liggen meer op mijn vlak.

‘Het zijn er toch dertien, Bart?’
‘Dertien? Hoe kom je nou weer bij dertien?’
‘Let op: twee kinderen, zes kleinkinderen, twee aanhangers, mijn moeder, ik…’
‘Dat bedoel ik’, onderbrak ik haar. ‘Dus twaalf personen.’
‘Hoe kan dat dan?’
‘Dat komt omdat je niet in de organisatie zit. Laat dat nou maar aan mij over en zorg jij maar dat het eten op tafel komt. Dat kun je als geen ander. Mijn Michelin-sterretje’, lachte ik. 

‘Michelins zitten onder je auto. Toch blijf ik bij dertien.’
‘Dag Truusje’, grapte ik terwijl ik haar de keuken induwde. 

‘Zal ik voor jou dan een bord in de keuken zetten?’, vroeg ze wat later. ‘Aan het aanrecht?’
‘Ik? In de keuken? Hoezo ik in de keuken?’

‘Nou ja, je had toch gelijk. Er zitten inderdaad twaalf personen aan tafel.’
‘Ja, en waarom ik dan in de keuken?’
‘Jij hoort bij de organisatie. Die zetten we altijd apart en wordt ook niet meegeteld.’

Bart



Raamstaren

Raamstaren

‘Kun jij straks nieuwe batterijen in de kerstlampjes bij de voordeur prutten?’, vroeg Truus tijdens ons tien uur koffiemomentje. ‘Ze branden heel flauw.’

Deze vraag kwam op het moment dat Ik had besloten om een uurtje te gaan raamstaren. Dat doe ik regelmatig. Als man zijnde is dat goed voor je innerlijke rust. Laat ik het zo zeggen: even ontsnappen aan de opdrachten die je daags om de oren vliegen. Ik draai dan mijn stoel een kwartslag in de richting van het raam waarna ik mij afsluit en gedurende een uur naar buiten kijk. Zalig!

‘Batterijen in de kerstverlichting? Het is tien uur in de ochtend, Truus. Dat doe ik vanmiddag wel.’
‘Vanmiddag moeten we naar De Heuvels. Joop is jarig.’
‘Dan doe ik het morgen’, besloot ik.
‘Waarom nu niet? Na de koffie? Je hebt niks te doen, toch?’
‘Jawel, ik ben druk.’

‘Druk? Waarmee dan?’
‘Ik heb zo mijn rust-uurtje.’
‘O, meneer gaat weer een potje zinloos naar buiten zitten staren?’
‘Ja, wat is daar mis mee?’
‘Alles. Je kunt verdorie best even de batterijen vervangen.’

‘Truus, de lampjes branden nog. Batterijen zijn nog niet leeg.’
‘Oké, ga dan bij de voordeur naar de lampjes staren tot ze leeg zijn. Ben je met tien minuten klaar met die onzin en kun je ze uitgerust en wel vervangen.’

Bart









Kerstpakket

Het kerstpakket 

‘Tadá!!!’, riep ik terwijl ik de meegesjouwde doos-met-kerstpakket op tafel plaatste. Truus, in haar rol als het nieuwsgierige Aagje, stond er gelijk bij om het lint te knippen en zich in de inhoud te verdiepen.

‘Ohhh kijk toch eens!’, riep ze enthousiast. Ook ik wierp een blik in de doos volgestouwd met goed bedoelde spullen voor de kringloop.

‘Bart, wat leuk! Ze hebben dit jaar voor een kookthema gekozen. Wat een verrassing!’, riep ze enthousiast toen ze een schort, twee ovenwanten, een pollepel en een elektronische pepermolen uit de doos had getrokken. ‘O, kijk, en een prachtige gietijzeren braadpan!’ 

‘Nou, daar zullen ze best blij mee zijn!’, riep ik quasi enthousiast.
‘Wie is “ze”’, vroeg ze.
‘Bij de kringloop. Kunnen ze een handje kleingeld van maken!’
‘Wat doe je nou negatief! Het is een prachtig pakket! Ben er echt heel blij mee!’

‘Jij blij? Heb je de sticker op de doos eigenlijk wel gelezen? Welke naam erop staat?’
‘Ja, daarom ben ik extra blij.’
‘Dus jij bent blij voor mij omdat ik er niks aan heb? Ik kan niet koken!’

‘Dat klopt, daarom gaat het mij enorm helpen met de keuze voor jouw kerstcadeautje.’

Bart


Nieuwe bewoners

Nieuwe bewoners

‘We hebben weer nieuwe bewoners in de straat’, meldde ik tijdens het tien uur koffiemomentje. 

‘O? Op nummer zestien?’
‘Dat weet ik niet. In ieder geval naast achttien.’
‘Dat is dan toch zestien?’, antwoordde Truus met een stem vol logische lading.
‘“Naast achttien” kan ook twintig zijn’, stelde ik droogjes vast. 
‘Op twintig woont de Rotterdammer, Bart. Dat kan dus niet.’

‘Naast veertien dan. Dat kan dan toch wel?’
‘Joh, alsjeblieft. Hou op. Heb je ze al ontmoet?’
‘Niet ontmoet. Ik hoorde het van Joop Heuvel. Die heeft ze gesproken.’

‘Al een naam bekend?’
‘Het is een alleenstaande vrouw. Joop had het over de Sylvia’s.’
‘De Sylvia’s? En ze was alleenstaand. O, wacht even. Is het weer zo’n dubbele bodem-opmerking van Joop? De Sylvia’s? Een dame met een weelderig voorkomen?’

‘Nee, ze heeft een hondje en die is volgens Joop naar het baasje vernoemd.’

Bart

Kerst

Kerst

Soms vraag je je wel eens af wat kerst, naast alle geloofsuitingen en symbolen, nu eigenlijk betekent. Sommigen bidden zich het snot voor de ogen, eten zich collectief vol, laten de drank rijkelijk vloeien en zitten “gezellig” bij elkaar. In principe is daar natuurlijk niks mis mee. Maar of dat nou iets met een kerst te maken moet hebben? We vertonen hetzelfde gedrag met Pasen, Pinksteren en Carnaval. Alhoewel dat laatste niet algemeen is ingeburgerd. 
Wat is dan specifiek “de kerst”? De Paus mekkert vanuit zijn Roomse gouden stulp iets over armoede in de wereld, over de ellende van oorlog. 
In het Midden Oosten wordt weer volop kerst gevierd en over vrede geschreeuwd terwijl een paar kilometer verderop de puinhopen nog naroken. 
Aan de andere kant van de Oceaan staat een president te pronken met zijn vredesmedaille van de FIFA terwijl hij alles en iedereen aan zijn waanideeën wil onderwerpen.  En dan staat er in het oosten nog iemand met een gummetje in zijn hand om de geschiedenis uit te gummen en te herschrijven. “Oekraïne is de oorlog begonnen”, zoiets. Ik denk dat hij aan één gummetje niet genoeg heeft.
Hoe dan, het is kerst. En blijkbaar hoort er een relatie te bestaan tussen vredige menslievendheid en de kerstelijke periode. Ik denk dat ik de afgelopen jaren iets heb gemist.

Bart

Een gat

Een gat

‘Morgen Bart, wat ben jij dan aan het graven?’, vroeg mevrouw Meijer die even inhield toen ze mij in de voortuin bezig zag. Ik keek op. ‘Ook goede morgen. Ik ben een gat aan het graven maar dat wil niet zo lukken. De vorst zit erin.’
‘De vorst? Ja, die. Niet vorst Willem-Alexander, maar de vrieskou. Van de afgelopen dagen.’
‘O? Maar wat moet je dan met een gat?’
‘Daar gaat straks de kerstboom in. Truus wil hem in de tuin zetten.’
‘In de tuin? Gaat dat wel lukken? Meestal gaan ze dood. Komt door de overgang van warm naar koud.’
‘Ah, u heeft er verstand van.’
‘Ja, het kan in principe wel, maar dan moet hij eerst aan de temperatuur wennen. Misschien eerst een paar nachten in de garage zetten? Kan hij vast aan de kou wennen.
‘Kijk, goed idee. Ik heb dat laatst ook met mijn schoonmoeder gedaan en die is nu winterhard.’
‘Bart toch! Ik heb het over de kerstboom.’
‘Alle gekheid op een kerstboompje, mevrouw Meijer, dat is voor onze boom allemaal niet nodig. Die gaat het vast wel redden.’
‘Denk je? Wat voor een soort is dat dan?’
‘Een boom van het merk Chiu Wah. Made in China.’

Bart


Een plan

Een plan

‘Heb je nog plannen vandaag?’, vroeg Truus tijdens ons tien uur koffiemomentje.’
‘Moet ik even over nadenken.’
‘Moet je nadenken of je een plan hebt? Best plan dan.’
‘Ik ben aan het nadenken, Truus. Laat me even.’

‘Wat ben je soms toch een rare vent’, hoorde ik haar opmerken. Ik nam een slok koffie.
‘En je trekt zo’n raar gezicht. Beetje scheef. Kijk zo!’ 

Ze trok een gezicht wat nooit overeen kon komen met mijn nadenk-gezicht. 
‘Je maakt een karikatuur van mijn nadenk-moment.’
‘Je doet gewoon raar. Vandaar.’

‘Lieve schat, ik heb in de loop der jaren zo ontzettend veel in mijn hoofd opgeborgen dat ik even tijd nodig heb om het juiste laatje te vinden en open te trekken.’

‘Misschien tijd voor een opruimactie?’
‘En dan alles weggooien? Dat lijkt me een oneerbaar voorstel.’ Ik vond dat echt. 
‘Hoeft niet in één keer hoor. Kun je ook spreiden.’ Ze lachte.

‘Je lacht nu over je eigen onzin’, zei ik. ‘Hoezo spreiden?’
‘Gooi je alles weg behalve je plan van vandaag. Dat kan dan morgen bij het oud vuil.’

Bart


Een bankje

'Wat een heerlijk weer, vind u niet?’, vroeg een bejaarde dame die naast mij op het bankje in de Appie plaats had genomen. 
Ik was het met haar eens.

‘Het is inderdaad heerlijk weer’, beaamde ik. ‘Jammer dat het bankje niet buiten, voor de winkel staat.’ 
‘Vroeger stond hij daar’, vertelde ze terwijl ze naar buiten wees. ‘Voor de oude gevel. Dat heb ik nog meegemaakt.’
‘Ik niet. Ik weet niet beter dan dat hij in de winkel staat. En ik ben toch ook al best een beetje op leeftijd.’

‘Hoe oud bent u als ik vragen mag’, vroeg ze.
‘Ik ben van vierenvijftig. Vorige eeuw!’
‘Dat snap ik. Vierenvijftig deze eeuw moet nog komen, en die van de negentiende eeuw is al lang voorbij. U bent dus éénenzeventig’, concludeerde ze.

‘Ik mag een dame natuurlijk niet naar haar leeftijd vragen’, lachte ik.
‘Ik ben van vijftig. Vorige eeuw.’
‘Dan schelen we vier jaar.’

‘Dat is niet veel’, vond ik.
‘Inderdaad. Dat is niet veel’, beaamde ze. ‘Maar het verschil in tijd is toch ruim voldoende’, merkte ik op.
Ze keek me vragend aan. ‘Ruim voldoende? Waarvoor?’

‘Om dit bankje van buiten naar binnen te verplaatsen.’

Bart

Een briefje

Een briefje

‘Jules vroeg of ik vanavond gratis mee wil naar een voetbalwedstrijd’, meldde ik tijdens ons tien uur koffiemomentje.

Het werd even stil en ik stond net op het punt om mijn mededeling in de herhaling te programmeren toen ik een keel hoorde schrapen gevolgd door het openen van een mond en het uitspugen van een spervuur aan vragen.

‘Bart, wie is in Godsnaam Jules?’
‘Voetbal? Sinds wanneer hou jij van voetbal?’
‘En wanneer is die wedstrijd en welke wedstrijd dan? ‘Toch niet met hooligans hè? Of is die Jules soms een hooligan?’

‘En hoe ga je daar heen? Ik heb vanavond de auto nodig. Ik ga toch naar de rummikub? Ga jij dan niet? Naar de rummikub bedoel ik.’
‘En is die Jules getrouwd? En waar woont hij dan? Hier in de straat? Ik heb nog nooit van een Jules gehoord. Ook niet via Karin Krul. Dus….’
Ze keek me vol verwachting aan.

‘Ben je klaar Truus?’
‘Nou ja, ik wil wel graag antwoorden.’
‘Krijg je niet. Ik ga niet.’

‘Wat is dit? waarom niet?’, riep ze nijdig.
‘Omdat ik helemaal geen zin heb. De vraag stond op een briefje dat op het prikbord bij de Super was geprikt.’
‘Waarom vertel je het dan?’
‘Omdat er ook een briefje hing van ene Loes. Die zocht een mannelijke reisgenoot voor een cruise door de Middellandse zee. Maar ik twijfel nog.’
‘Twijfel?’, riep ze.
‘Ja, vanwege mijn zwembroek. Het elastiek is tijdens de vakantie geknapt.’

Bart


Wrijven

Wrijven

‘Hoi mevrouw’, riep ik naar het meisje van de bloemen.
‘Hoi meneer’, riep ze terug. ‘Mooie bloemen hè?’
‘Dat zijn ze zeker. Complimenten’, zei ik terwijl ik mijn duim opstak.

‘Heeft u een speciale voorkeur?’, vroeg ze terwijl ze haar handen samenvouwde en begon te wrijven. Dat valt mij trouwens wel vaker op. Dat mensen met dit beroep hun handen samenvouwen en beginnen te wrijven. Dit meisje was daarin geen uitzondering. Ik vroeg ernaar.

‘Heb je het soms koud?’
‘Koud? Nee hoor. Hoezo?’
‘Omdat je in je handen wrijft. Meestal doen mensen dat als ze het koud hebben.’
‘Ik niet hoor. Het is een gewoonte. Mijn vriendje valt dat ook altijd op.’
‘Kijk, dan ben ik niet de enige.’
‘Klopt.

‘Welke bloemen zoekt u?’
‘O, niks bijzonders. Bosje fresia’s. Zoiets?’ Ik wees op een emmer.
‘Oké, een bosje fresiaatjes.’ Ze trok het uit de aangewezen emmer en liep naar de toonbank. 
Even later hield ik het in mijn hand en stond zij weer te handenwrijven. Ik kon het niet laten.

‘Wat zegt je vriend eigenlijk, als je zo staat te wrijven?’
‘O, die roept dan dat hij het gevoel krijgt dat hij door mij is beduveld’, lachte ze.

Bart

Het reisje

Het reisje

‘Buuf Agnes heeft volgende week vakantie’, vertelde Truus tijdens ons dagelijkse koffieoverleg. ‘Ze gaat naar Amerika.’
‘Kijk, van de contributie?’, reageerde ik.
‘Contributie?’
‘Ja, ze zit bij de gemeente en wij maken maandelijks de gemeentelijke contributie over. Dus…’
‘Man, doe toch niet altijd zo negatief. Ze heeft het als maatschappelijk werkster heel druk. Zeker met figuren zoals jij!’

Ik meende iets van irritatie in haar stem te bespeuren.

‘Truusje, het was een grapje. Waar gaat ze heen in Amerika?’
‘Overal. Rondreis. Met een bus.’
‘Leuk. Maar ik zou toch niet graag naar dat Trumpië gaan.’

‘Trumpië? Ze gaan naar Amerika Bart. Samen met Wilco en…’
‘Wilco? Is dat een nieuwe vriend?’, onderbrak ik.
‘Collega. Die ontvangt trouwens ook contributie.’

‘Het moet toch niet gekker worden’, vond ik.
‘Nou dat wordt het wel want er gaat ook een wethouder mee.’
‘Een wethouder? Van de gemeente?’
‘Ja, maar maak je niet ongerust. Hij houdt de uitgaven in de hand. Hij is namelijk wethouder van financiën.’

Bart




De koelkast

De koelkast

‘Morgen buurman, weer druk aan het vegen?’, vroeg een dame die ik herkende als Lies. Ze woont een paar deuren verder. 
‘Morgen Lies, zag ik het nou goed dat je de koelkast aan de weg hebt staan? Stuk?’
‘Ja, hij koelt niet goed. Johan zijn biertjes zijn lauw.’
‘Oké, maar voor de rest doet ie het nog goed?’, vroeg ik.
‘Ja, de verlichting doet het nog prima. Dus…’
‘Wat bedoel je Lies?’
‘Nou ja, mocht jij interesse hebben dan mag je hem ophalen.’
‘Nee joh, ik heb zelf nog een koelkast op marktplaats staan.’
‘Dat meen je! Ik zou vanmiddag met Johan naar de winkel voor een nieuwe. Is hij nog goed?’, vroeg ze geïnteresseerd.
‘Ja hoor, hij koelt als de beste en de verlichting is uitstekend.’
‘Is hij oud?’, vroeg ze verder.
‘Nee joh, pas nieuw. Ik denk een maandje.’
‘Waarom doe je hem weg dan?’
‘Omdat hij niet praktisch is. Truus heeft er moeite mee.’
‘Moeite? Waarmee dan? Zo moeilijk is een koelkast toch niet?’
‘Nee, dat vind ik ook’, zei ik.
‘Wat kost haar dan moeite?’
‘Nou kijk, bij deze koelkast gaat de deur naar binnen open. Kan ze de spullen niet goed kwijt.’

Bart

Fietsgevaar

Fietsgevaar

‘Wat kijk jij boos!’, stelde Truus vast nadat ze mij binnen zag lopen. Ik was even op de fiets naar de stad geweest voor een setje nieuwe dingetjes.

‘Ach ja, ik word helemaal gek van die terroristen hier in de stad.’
‘Terroristen?’, vroeg ze.
‘Ja. Vroeger waren het nog gewoon toeristen, tegenwoordig is het een kwalijke plaag. Ze lopen gewoon op de weg, en dan het liefst met tien man naast elkaar.’

‘Ja, dat herken ik wel. Het wordt steeds erger.’
‘Ja, en dan begint zo’n mutserig type ook nog te blèren dat ik te hard rijd.’
‘Nou, dat klopt wel, Bart. Je rijdt altijd als een idioot.’

‘Nou klink je net als dat mens.’
‘Dat zal. Maar je rijdt echt te hard. Ik kan ook nooit gezellig met jou fietsen. Ik sukkel er altijd achteraan.’
‘Dat komt omdat je teveel om je heen kijkt. Volstrekt niet geconcentreerd. Daarmee verlies je tijd, Truus.’

‘Ach ja, het zal wel aan mij liggen. 
‘Dat klopt.’
‘Maar zei dat mens verder nog iets?’
‘Ja, ze vond dat ik voortaan moest bellen.’
‘Dat klopt, heb je niet gebeld dan?’
‘Nee natuurlijk niet. Ik kan haar helemaal niet bellen. Ik heb haar nummer niet.’

Bart

Het bankje

Het bankje

‘Ik hoorde iets over een bankje wat de gemeente hier in de straat gaat zetten’, vertelde ik tijdens het tien uurtje.

‘Klopt’, zei Truus. ‘Ik heb het ook gehoord.’

‘Ik hoorde het van Hans Vruggink’, zei ik.
‘Ik van Annie van der Heuvel’, vertelde Truus. 
‘Het wordt een stalen bankje. Hufterproof’, ging ze verder.
‘Die van Hans van ruw gezaagde planken. Maar ik hoorde ook dat de bewoners mogen kiezen. Of staal of hout.’

‘O? En komen ze dan aan de deur vragen?’
‘Nee, het is inmiddels beslist’, zei ik.
‘O?, hoe dan?’
‘Hans en ik hebben gekozen voor hout.’

‘Hout? Dat meen je toch niet serieus? 
‘Jazeker meen ik dat serieus.’
‘Bart, op ruw gezaagde planken gaat toch niemand zitten?’
‘Klopt, dat is ook precies onze bedoeling.’

Bart


Een naam

Een naam

‘Bij Jansen is een kleinkind geboren. Een meisje’, vertelde Truus tijdens ons tien uur koffiemomentje.
‘En hoe heet ze?’
‘Treesje.’
‘Treesje? Hoe kun je je kind nou Trees noemen. Dat is toch echt een naam uit de tijd van de stoelenmatters en kantklossers.’ 
‘Ik had eigenlijk ook Trees moeten heten’, zei ze.
‘Hoezo?’
‘Ze wilden mij naar mijn Oma van mijn moeders kant vernoemen. Oma Trees. Mijn ouders zouden dan van hun een kinderwagen cadeau krijgen.’
‘Pure chantage’, riep ik.
‘Ja, echt wel.’

‘Maar dat is dus niet doorgegaan’, stelde ik vast.
‘Hoe bedoel je?’
‘Nou ja, je heet Truus, geen Trees. Trouwens, voor het eerst dat ik iets verstandigs hoor over je moeder. Maar hoezo dan de naam Truus?’

‘O, dat was niet zo moeilijk. Mijn andere Oma van vaders kant heette Truus. En die bood bij vernoeming behalve een kinderwagen ook nog een wiegje als cadeau aan.’

Bart



‘Ach ja, ik gokte op een “Trees”.’
‘Hoezo “Trees”?’
‘Omdat je er als een “Trees” uitzag. 


De fietstocht

De fietstocht

‘Hé Bart, wat is dat nou? op de fiets?’, vroeg een voorbijganger toen ik mijn fiets buiten op het lanceerplatform plaatste. Hij stopte.

‘Nee hoor, ik sta er naast. Straks ga ik op de fiets. Mocht je van dat historische moment getuige willen zijn, dan wil ik je vooraf wel even bellen.’
‘Nee zeg. Je gaat maar lekker fietsen.’

‘Je hebt trouwens een mooie fiets. Nieuw?’
‘Ja, en hij heeft trapondersteuning. Fijn karretje. Maar ik heb toch al duizend kilometer gereden.’

‘Waar gaat de tocht heen?’
‘Naar mijn schoonmoeder.’
‘O, kijk, is dat ver?’
‘Kilometer of dertig. Net lekker.’
‘Nou, mooi tochtje. Is ze jarig of zo? Je ziet er zo zondags uit.’
‘Ach nee, Ze belde in paniek vanmorgen. Ze heeft een spoeddingetje. Vandaar.’

‘Spoeddingetje? En dan ga je op de fiets?’
‘Ja, eigenlijk wilde ik lopen. Maar ik heb nieuwe schoenen. Dan loop ik het risico op een dikke blaar.’

Bart

Een postzegel

Een postzegel

‘Waar zit jij nou naar te kijken’, hoorde ik Truus vragen. Ik zat buiten in een tuinstoel naar ons grasveldje te staren.
‘Ssstttt!’, siste ik terwijl ik haar met mijn hand maande tot stilte. Ze had blijkbaar geen zin om het gas los te laten want ze ging gewoon door zoals het een vrouw met een “eigen willetje” betaamt.

‘Ik vroeg je wat, Bart’, zei ze.
‘Ik jou ook, Truus, maar blijkbaar telt dat niet.’

‘Ik luister naar het gras. Mijn moeder vertelde altijd dat ze het kon horen groeien.’
‘Dan stop maar, want jij bent doof. Nu even serieus graag.’

‘Ik zit van de schoonheid van ons veld te genieten. Het ziet er zo mooi en strak uit. Ik als tuinman zijnde ben er apentrots op.’

‘Nou, jij bent nogal een tuinman. Als ik zo naar mijn voormalige bloementuin kijk, dan zijn de planten verdwenen en tiert het onkruid welig.’
‘Ik heb het over mijn grasveld schat. Daar geniet ik nu even van.’

‘Bart dat zogenaamde “veld” van jou heeft de grootte van een postzegel. Daar ben je toch zo op uitgekeken?’ 

‘Hoezo op uitgekeken? Jouw vader verzamelde vroeger postzegels en die kon de hele middag naar zo’n stom papiertje staren. Daar zei ik toch ook niks van?’

Bart


Hulp

Hulp

Ik stond net op het punt om de eerste veegstreek op onze oprit te zetten, toen ze aan kwam lopen. Annie van de Heuvel. 

‘Morgen Bart.’
‘Morgen Annie.’

‘Bart, kun jij Joop misschien even komen helpen?’, vroeg ze.
‘Kan hij zelf niet op de pot kruipen?’, lachte ik.

‘Hij moet een lamp ophangen. Maar ik heb het idee dat hij zodadelijk zelf licht gaat geven. Hij is zo onhandig!’
Ze keek er enorm triest bij.

‘Je kijkt alsof je elk moment in een vreselijke huilbui gaat uitbarsten. Is hij al overleden of zo?’
‘Nou, daarnet nog niet, maar dat gaat vast niet lang meer duren’, mopperde ze.

‘Ik geloof Annie, dat Joop geen hulp van mij meer nodig heeft’, stelde ik vast toen ik wat later gewapend met een gereedschapskist bij hun voor de voordeur stond.
‘Hoezo geen hulp?’, vroeg ze terwijl ze de sleutel in de voordeur stak.

‘Nou, zo te horen heeft Joop  een rechtstreeks lijntje met onze Schepper. Daar ga ik echt niet tussen zitten.’ 

Bart


Klaver

Klaver

‘Ben je aan het doen?’, vroeg Truus toen ze mij op mijn knieën op het gras ontdekte. 
Ik keek op. 
‘Ik zoek naar het klavertje vier.’
‘HET klavertje vier of EEN klavertje vier.’
‘Nee, HET klavertje vier. Dat moet hier ergens tussen staan.’
‘Daarmee suggereer je dat je naar een bekend klavertje vier zoekt.’
‘Dat klopt Truus. Het is een bijzonder klavertje.’
‘Hoezo bijzonder? Afwijkende kleur of zo?’
‘Nee hoor, hij is gewoon groen. Dat maakt het juist zo lastig zoeken. Hij moet hier ergens tussen staan.’
‘Heb je vanmorgen je pilletjes wel ingenomen?’, vroeg ze.
‘Truus, moet je binnen niet iets schoonmaken? Je haalt me namelijk uit mijn concentratie. Nu weet ik niet meer waar ik gebleven ben!’
‘Ergens tussen de klavertjes drie en vijf.’
‘Ik hoor het al wel weer: je neemt mij niet serieus.’
‘Nee, vind je het gek? Op zoek naar HET klavertje vier. Wat is daar zo bijzonder aan dan?’’
‘Dat weet ik ook niet, schat. Dat wil ik nou juist ontdekken. Vandaar mijn zoektocht.’

Bart

De blik

De blik

‘Volgens mij heeft zij een nieuwe woning’, zei ik tegen buuf Agnes, wijzend naar een dame die op haar fiets net voorbij kwam rijden. Agnes stond bij mij op de oprit om uit te leggen dat ze haar relatie had opgezegd.

‘Wie is dat dan?’
‘Geen idee.’
‘Hoe weet je dan dat ze een nieuwe woning heeft?’
‘Ik zag de blik in haar ogen.’

‘Goh Bart, cursus gehad?’
‘Cursus?’
‘Ja, “ontdek de blik in de ogen van je medemens”.’
‘Heb ik niet nodig. Ik ben een natuurtalent.’

‘O? En waaruit blijkt dat?’
‘Kijk Agnes, toen jij net hier naartoe kwam lopen zag ik aan je ogen dat je je relatie hebt opgezegd.’
‘Jaja, zo kan ik het ook. Zwamneus!’

‘Ha die Truus’, riep Agnes toen mijn eega de voordeur uit kwam lopen.’
‘Wat ga je doen?’, vroeg ik.
‘Kijk even in haar ogen’, adviseerde Agnes. 
‘In mijn ogen kijken? Dat heeft hij al veertig jaar niet meer gedaan. Hoezo?’

‘O, Bart vertelde net dat hij aan de ogen van een net voorbij gereden dame kon zien dat ze een andere woning heeft.’ 
‘Jaja, mijn schoenzolen. Die dame die voorbij reed is Willemien van Braak. Ze is net gescheiden en heeft een andere woning. Ze heeft Bart gisteren gevraagd of hij wil helpen behangen.’

Bart

Vakantie

Vakantie

‘Goh, gaan jullie alwéér op vakantie?’, vroeg Karin Krul, buurtroddelaarster, toen ze langs onze oprit liep en mij bij onze caravan zag staan. Ik probeerde nog te ontsnappen maar helaas. Nét te laat.

‘Op vakantie? Nee hoor, niks vakantie.’
‘O? is de caravan dan stuk of zo? Of moet hij een beurt?’
‘Een beurt? Omdat hij op de oprit staat? Jij staat toch ook wel eens op een oprit?’

‘Gaan jullie nog weg dan?’
‘Zou zomaar kunnen’, deed ik defensief. Ik ken haar. 
‘Dus het is niet zeker?’, zeurde ze door.
‘Zeker, ach wat is zeker. Tegenwoordig is niks meer zeker.’
‘Je doet vervelend, Bart.’

‘Weet ja Karin, we houden het liever voor onszelf’, zei ik op zachte toon.
‘Gaan jullie soms naar een nudistencamping? Kun je rustig vertellen hoor. Mijn lippen zitten op slot.’ Ze ondersteunde het met een horizontaal beweginkje langs haar mond. 

‘Oké dan’, zuchtte ik. ‘We gaan op trainingskamp.’
‘Trainingskamp?’
‘Ja, een veertien dagen durende cursus.’
‘Wat voor een cursus dan? Of mag ik dat niet vragen?’
‘Jij mag dat vragen, Karin.’

‘Het betreft de training “hoe ontwijk ik lastige en nieuwsgierige buren”. Ik zoek trouwens nog een proefpersoon. Iets voor jou?’

Bart

Bart

Vakantie(2)

Vakantie(2)

‘Hoi Bart mag ik jou iets vragen?’ Voor mij stond de altijd weer ondeugend geklede en strak opgemaakte Carla-van-de-Porsche. 

‘Ha Carla, natuurlijk mag jij iets vragen. Jij wel.’
‘Mooi. Ik hoorde van…’ 
‘Stop!!! Onderbrak ik haar. ‘Stop, stop stop!!!’ 
Ze keek me verbaasd aan.

‘Let op Carla ik weet precies wat je gaat vertellen: je hoorde van ons aller Karin Krul dat wij veertien dagen de cursus “hoe ga je om met lastige buurtgenoten” op de camping gaan volgen. Klopt dat?’
‘Nee, ze vertelde dat jullie twee weken op een nudisten-camping staan. Mag ik misschien dat adres? Ik zoek namelijk ook zoiets!’

‘Is dat zo?’, vroeg ik. ‘Vertelde Krul dat?’
‘Ja, en ze zei dat je dat in vertrouwen had verteld en dat ik er met niemand over mocht praten.’
‘Kun je zien hoe ze roddelt. Wat een draadnagel’, concludeerde ik.

‘Klopt, laatst bazuinde ze ook rond dat buurman Hans Vruggink ‘s nachts bij mij komt shoppen.’
‘Meen je dat? Is toch niet geloven?’, riep ik ontzet.
‘Ja, en het is gewoon uit haar duim getrokken. ‘S Nachts lig ik te slapen. Hans komt gewoon overdags.’

Bart

Vakantie(3)

Vakantie(3)

‘Ha die Bart, nog lekker twee weekjes op pad?’, vroeg mevrouw Boerstoel die bij onze oprit remde en van haar fiets stapte. Ik stond bij de caravan.
‘Ja, nog even lekker weg’, antwoordde ik.

‘Ik was net bij de Super en ik hoorde het al van Karin Krul. Ze zat achter de kassa.’
‘O, kijk. Dan weet u vast ook al waar we naartoe gaan’, suggereerde ik.
‘Nee, daar had ze het niet over. Dat niet.’

‘O? Wat dan wel?’, vroeg ik nieuwsgierig.
‘Ach je kent haar. Ze vroeg zich openlijk af waar jullie het toch allemaal van doen!’
‘Van doen? Hoezo van doen?’
‘Nou ja, ze vroeg zich dat af omdat jullie al zes weken Frankrijk achter de rug hadden, en dan nu nog weer twee weken…’
‘Wat is het toch een akelige roddelaarster’, riep ik nijdig.

‘Nou ja, ze had wel een idee waar jullie het van betalen’, lachte ze.
‘O ja? Had ze een idee?’
‘Ja, volgens haar zit je schoonmoeder ruim in de middelen. Dus…’

‘Dus? Wat dus? Denkt ze nou werkelijk dat mijn “schatrijke” schoonmoeder onze vakantie zou willen financieren?’
‘Dat vroeg ik ook, maar daar had ze wel een goede onderbouwing voor.’

‘Een goede onderbouwing? Krul?’
‘Ja, zo zou je schoonmoeder rust kopen. Is ze twee weken van je verlost.’

Bart



Een strooibus

Een strooibus

‘Een goedemorgen’, wenste ik het meisje achter de toonbank van de Winkel van Sinkel toe. 

‘Ook goedemorgen meneer. Kan ik u ergens mee helpen?’, vroeg ze vriendelijk. Het was nog een jong ding. Een geitje wat net uit de wei was gedarteld en nu voor mij stond en deze oude grijze mopperkont haar hulp aanbood.

‘Jazeker, ik zoek een strooibus.’
‘Een strooibus? We hebben wel een halte van de buurtbus’, zei ze na enig nadenken. ‘Maar die vertrekt pas tegen de middag.’

‘Ik bedoel een strooibus. Een bus waar je mee kunt strooien.’
‘Staat die niet in de winkel?’, vroeg ze.
‘Nee, ik kan hem niet vinden’, antwoordde ik.
‘Ik vraag even aan mijn baas, goed?’
‘Ja hoor.’

Ze verdween om even later weer te verschijnen. 

‘Ik heb het even gevraagd, maar mijn baas zegt dat wij ze niet hebben. Misschien bij de begrafenisondernemer. Die zit op het industrieterrein.’

‘Volgens mijn baas is het ook een ouderwets ding. En dat klopt ook wel’, blaatte ze. 
‘Hoezo klopt dat wel?’, vroeg ik.
‘Nou ja, tegenwoordig is alles digitaal. Dat zal zo’n strooier dan ook wel zijn.’

Bart

Verwarring

Verwarring 

‘Mevrouw Meijer kwam net voorbij gelopen’, vertelde ik tijdens ons tien uur koffiemomentje. Truus keek op. ‘Kan niet.’
‘Oké, opnieuw: Mevrouw Meijer kwam net niet voorbij gelopen.’

‘Bart, de Meijers zitten in Spanje. Ze hebben daar een huisje.’
‘Klopt’, antwoordde ik braaf.
‘Ze hebben dat samen met hun kinderen. Gaan ze om de beurt heen. Leuk hé.’
‘Ja, en nu zijn zij dus aan de beurt en zijn ze volgens jou in Spanje.’

‘Juist Bart. Dus je kan haar niet hebben gezien. Ik denk dat je in de war bent met mevrouw Talsma. Die lijkt sprekend op mevrouw Meijer.’

‘Vast. En die heeft ook een huisje in Spanje’, vulde ik aan. ‘Dat heeft ze samen met haar kinderen. Trouwens, ze gaan om de beurt. En de Talsma’s zijn nu even niet aan de beurt. O ja, voordat ik het vergeet: de heer Talsma heeft in Spanje zijn been gebroken. Daarom is de familie eerder teruggekomen.’

Truus boog zich iets in mijn richting. 

‘Lieve schat, mevrouw Talsma is weduwe, heeft geen kinderen en heeft zeer zeker geen huisje in Spanje. Dus je zwamt echt uit je nek.’

Bart

De verjaardag

De verjaardag

‘Ome Cor zou vandaag honderd zijn geworden’, vertelde Truus tijdens ons tien uur koffiemomentje. Ze hing boven haar tablet en raadpleegde naar ik vermoedde haar agenda. 
‘Moeten we dat herdenken of vieren?’, vroeg ik droogjes. Ik had daar wel een mening over. 

‘Ach ja, ome Cor was nu eenmaal ome Cor, Bart. Soms leuk, soms vervelend’, merkte ze tactisch op.
‘Broer van je moeder’, mompelde ik.
‘Wat wil je daarmee zeggen?’ Ik hoorde iets van irritatie in haar stem.
‘Zoals jij het zegt. Soms leuk, soms vervelend.’

‘Ome Cor?’
‘Ook.’
‘Wat ook?’
‘Je moeder is een zus van Cor.’
‘Dus mijn moeder is soms leuk en soms vervelend.’

‘Lieve schat, ik heb jouw ome Cor niet gekend.  Echter, ik ken je moeder wel. En als jij dan zegt dat hij “soms leuk en soms vervelend” was, dan heb ik geen telraapje nodig.’
‘Telraampje? Wat zwam je toch allemaal?’
‘Nou ja, één plus één is en blijft zelfs na honderd jaar twee.’

Bart


Privacy

Privacy 

‘Mogguh’, riep ik opgewekt toen ik de Super binnenliep. Het was maandag, dus ik wist zeker dat zij er niet was. De “zij” betrof Karin Krul, buurtroddelaarster, die alleen op dinsdag, donderdag en zaterdag achter de kassa zat. Dus kon ik deze maandag op mijn gemak het door Truus opgestelde lijstje afwerken.

‘U bent toch meneer Bart?’, vroeg een medewerkster die achter mij aanliep, inhaalde en toen deze vraag op mij afvuurde.
‘Jazeker, vanwaar deze vraag?’
‘O, een collega van mij zag u met een boodschappentas langs haar huis lopen en belde net.’

‘Wacht even: iemand zag mij lopen en belde u?’
‘Ja, beetje vreemd natuurlijk, maar ze bedoelt het goed.’
‘Dit is toch een rechtstreekse aantasting van mijn privacy. Toegegeven, ik ben een BS’er maar daarom hoef ik nog niet in de gehouden te worden?’

‘Een BS’er?’, vroeg ze. 
‘Ja, Bekende Straatgenoot. Bel die Karin Krul maar terug en zeg dat ik hier niet van gediend ben!’ 
Ik voelde een enorme boosheid opkomen.
‘O, maar Karin Krul belde niet’, vertelde ze. 
‘Niet?’
‘Nee, Annelies Theunissen van het vlees belde. Ik moest u zeggen dat Karin vandaag niet werkt en dat u dus op uw gemak en ongestoord boodschappen kunt doen.’

Bart


De schat

De schat

‘En, wilden ze nog een beetje bijten?’, vroeg ik aan een man die gewapend met een metaaldetector uit het tegenover ons gelegen weiland kwam tijgeren.

‘Wat zegt u?’, vroeg hij terwijl hij zijn oorwarmers half op zijn hoofd zette. 
Ik herhaalde mijn vraag.

‘Ik was niet vissen!’, riep hij terwijl hij op zijn apparaat wees. ‘Ik zoek de bodem af.’
‘Dus toch vissen’, lachte ik. ‘Maar, behalve roestige spijkers nog iets interessants gevonden?’
‘Nee, ligt niet veel.’

‘Toch kun je hier nog een schat vinden’, zei ik.
‘Een schat?’, herhaalde hij.
‘Ja, niet verder vertellen, maar het moet hier ergens zijn.’
‘Op het weiland?’
‘Geen idee. Gewoon goed zoeken.’

Hij keek eerst naar mij, toen naar het apparaat, daarna naar de wei, keek kort op zijn horloge en liep vervolgens terug het veld in.’

‘Wat ik nu toch zie’, riep Truus die avond vanuit de keuken.
‘Wat zie jij dan?’
‘Het licht van zo’n mijnlamp. Iemand loopt ermee op zijn hoofd door de wei. Kom eens kijken?’

‘O, dat is die schatzoeker.’
‘Schatzoeker? Een schat hier in de wei? Er ligt toch geen schat?’
‘Klopt, die gaat hij ook vast niet vinden. Die staat hier namelijk naast mijn in de keuken.’

Bart




Rijbewijs

Rijbewijs

‘Annie gaat haar rijbewijs halen’, vertelde Truus tijdens ons tien uur koffiemomentje.
‘Wat zeg je?’
‘Dat Annie van der Heuvel haar rijbewijs gaat halen.’

‘O? Ga jij mee of zo?’
‘Ik mee? Wat zwam je nou? Ze gaat rijles nemen!’
‘Rijles. Kijk, nu vat ik hem. Ik dacht dat ze hem op moest halen. Waarom gaat ze dat doen? Joop heeft toch een rijbewijs?’

‘Joop mag vaak niet rijden. En ze heeft besloten dat ze niet meer van hem afhankelijk wil zijn.’
‘Hoezo mag hij vaak niet rijden. Mag hij dat niet van Annie?’
‘Nee, van de politie. Altijd als Annie een dagje naar haar moeder wil, heeft Joop teveel achter de kiezen.’
‘Hm, slim. Het is dat ik geen alchohol gebruik, maar anders…’

‘Ha die Annie, wat hoorde ik ga jij rijles nemen?’, vroeg ik haar die middag toen ze voorbij kwam lopen en ik de oprit veegde.

‘O? Is het al bekend in de buurt?’
‘Geen idee, Truus vertelde het mij vanochtend’
‘O, dan is het goed. Ja, ik wil ermee beginnen. Eens kijken of het lukt. Joop is een gevaar op de weg en mij lijkt het wel leuk. Dus..’

‘Al een rijschool gevonden?’
‘Nee, nog niet. Jaspers is gestopt en die andere, de Snelle Jelle, die is op de fles.’
‘Hm, je hebt ook nog Kreuzen aan de Industrieweg’, gaf ik aan.
‘Kreuzen? Dat is toch die kermisexploitant? Geeft die ook rijles?’
‘Ja, in de winterdag. Echt iets voor jou. Hij lest met botsauto’s.’

Bart

Nagels

Nagels

‘Bart, er zitten steeds gaten in je sokken, kijk eens kritisch naar je nagels.’ Tot mij sprak mijn echtgenote, Truus. De klok stond op vijf over tien en voor mij op tafel stond koffie. 
‘Wat zou er mis kunnen zijn met mijn nagels?’, vroeg ik.
‘Ze zijn te lang.’
‘Wat is “te lang”?’
‘Moet ik hier serieus op ingaan, Bart?’
‘Nou ja, jij stelt dat ze te lang zijn. Dus vraag ik wat “te lang” is.’
‘Te lang wil zeggen dat je sokken stuk gaan.’
‘Hoe zeker weet je dat het door de lengte van mijn nagels komt?’
‘Omdat ze uitsteken! Het zijn net kleine scheermesjes. Ze snijden door je sokken.’
‘Ik denk meer dat het in de kwaliteit van de sokken zit. Waar heb je deze gekocht?’
‘Bij de slager. Man, doe niet zo moeilijk. Knip die dingen en het is opgelost.’
‘Ik twijfel nog een beetje, Truus. Je hebt mij nog niet volledig overtuigd. Zitten die gaten in al mijn sokken? Of alleen in de zwarte.’
‘Alleen in de zwarte. En dat is ook logisch, je hebt geen andere.’

Bart

Antiek

Antiek

‘Zo, het schilderij hangt, Ma’, meldde ik vanuit de slaapkamer van mijn schoonmoeder. Ik was daar vanwege het ophangen van een bij de kringloop aangeschaft schilderij waarvan schoonmoeder verwachtte dat ze een middeleeuwse meesterwerk had gekocht.

Ze kwam samen met Truus de slaapkamer in.
‘Zit hij goed vast?’, vroeg ze terwijl ze het schilderij van de aangebrachte haak tilde.
‘Wat doe je nou?’, vroeg ik.
‘Controleren of de haak stevig genoeg is. Ik ken jou.’
‘Mam, Bart kan echt wel een schroef in de muur boren hoor!’, riep Truus ter verdediging.

‘Jaja. Wat kost die haak?’
‘O, met plug een paar Euro.’
‘Oké, verreken maar met de eieren die ik vorige week voor jullie heb gehaald en nog niet zijn betaald. Koffie?’

Ik keek Truus veelbetekenend aan en samen togen wij naar de huiskamer en namen plaats aan tafel.

‘Het is zo leuk bij de kringloop!’, riep ze vanuit de keuken. ‘Echt waardevolle spullen.’
‘O, kijk, zie ik het nou goed? Heb je ook die porseleinen kip bij de kring gescoord die je tussen de plant hebt gezet?’, vroeg Truus.

‘Welke? O die. Ja, ook zo leuk. Een topstuk.’
‘Sorry Ma, je schiet wel een beetje door.’
‘Ja Ma, je begint wel echt oud te worden hoor met al die antieke ideeën’, lachte ik.

‘Ik oud vanwege die kip? Nou Bartje, dan moet jij thuis haast wel een complete kippenren tussen de planten hebben staan.’

Bart

Oren

Oren

‘Je moet eens iets aan je oren laten doen!’, riep Truus tijdens een discussie over iets wat ik wel of niet gehoord zou hebben. Ze was nijdig.

‘Ik geef toe dat het lelletje van mijn linkeroor iets afwijkt ten opzichte van mijn rechter, maar verder mankeert er niets aan.’
‘Bart, iedere keer als ik iets zeg, vraag je wat ik heb gezegd.’
‘Dat komt omdat je onduidelijk praat. Ik versta verder iedereen behalve jou.’
‘O ja, nou ligt het aan mij. Dat dacht ik toch niet.’

‘Schat, je mompelt een beetje. Dat geeft niet hoor, dat krijg je als je op zekere leeftijd komt. Dat heeft iedereen. Maar als je daar zelf last van krijgt, kunnen ze er wel wat aan doen hoor. Hogen ze je kaken een beetje op. Dan wordt de mondholte wat groter. Klinkt het geluid beter.’

‘Ben je klaar?’, vroeg ze. 
‘Wat zeg je?’
‘Of je klaar bent.’

‘Kijk, dat was weer zo’n dingetje. Klonk heel dof. Kan ik dan niks van maken.’

‘Wat doe je nou?’, vroeg ik toen ze opstond, op mij toe kwam lopen en enorm hard aan mijn  linkeroorlel trok.
‘Ik heb even snel je gehoorgang groter gemaakt. Dan hoor je beter. Of moet ik het soms nog even herhalen?’

Bart


De gok

De gok

‘Ik ben vanmiddag op de thee bij Sofie’, kondigde Truus tijdens ons tien uur koffiemomentje aan.

‘Die van de Mezenlaan?’, vroeg ik al slurpend.
‘Nee, ze woont aan de Markt. Hoezo Mezenlaan?’
‘O, het was een gokje. Er woont vast wel een Sofie aan de Mezenlaan. Maar de Markt is ook goed hoor.’

‘Wat heb jij met de Mezenlaan?’, vroeg ze.
‘Ik? Niks! Ik heb niks met de Mezenlaan. Het was maar zo een gok’, herhaalde ik met enige nadruk.
‘Raar. Echt raar. Er moet een reden zijn dat jij de Mezenlaan noemt.’
‘Omdat ik het idee had dat er vast wel een Sofie aan de Mezenlaan zou wonen. Gok. Snap je nu?’

Ze slaakte een diepe zucht.

‘Ik ken je nu ruim een halve eeuw, Bart. Maar ik sta toch iedere keer weer verbaasd.’
‘Dat houdt het spannend, schat’, lachte ik.
‘Jaja, de Mezenlaan. Waarom roept mijn man iets over een Sofie aan de Mezenlaan. Heel bijzonder.’

‘Schat, luister, ik heb nog overwogen om deze Sofie te koppelen aan een woning aan de Oranjestraat maar heb daar toch van afgezien.’
‘En deze Bart’, ze wees naar mij, ‘Hij zwamt maar door en door en door… En waarom dan niet de Oranjestraat?’

‘Omdat er nooit een Sofie aan de Oranjestraat kan wonen. De Oranjestraat bestaat namelijk niet.’

Bart


Een mankement

Een mankement 

‘Bart, ik denk dat we aan een nieuwe stofzuiger toe zijn’, riep Truus vanuit de keuken. Ze klonk behoorlijk paniekerig, dus stond ik op om vervolgens het getroffen gebied te betreden.

‘Wat is er aan de hand?’
‘Hij doet het niet goed meer’, riep ze terwijl ze de voetschakelaar een stevige trap gaf. Hoestend en stotend kwam hij enigszins tot leven.
‘Hoor dan! Dit klinkt toch niet goed?’

Ik moest toegeven dat hij anders klonk dan normaal.

‘Truus, leg mij even uit wat je precies hebt gedaan. En begin bij het begin. Je haalde hem uit de kast en toen?’
‘Bart, moet ik nu de hele levensloop van de stofzuiger met jou bespreken?’ Ze stond met beide handen in haar zij. Dan is het altijd oppassen.

‘Nou ja, ik wil analyseren wat de oorzaak kan zijn.’
‘Die geef ik jou gratis en voor niks: hij is dertig jaar oud, de slang hangt met plakband aan elkaar, het snoer rolt niet meer op, het filter is aan zijn eind. Kortom: hij is naar de kl..’

‘Ho meisje, rustig aan. Laat deze techneut eerst maar eens onder de motorkap kijken.’
‘Jaja, onze techneut.’ Ik zag haar hoofdschuddend weglopen.

‘En, is onze techneut klaar met de analyse?’,vroeg ze toen ze mij achter de tablet zag zitten. ‘Of ben je een nieuwe aan het bestellen. In dat geval wil ik wel wat inspraak.’
‘Nee schat, ik ben het nummer van de storingslijn van de netwerkbeheerder aan het zoeken.’

‘Voor een nieuwe stofzuiger?’
‘Nee, voor een monteur. De hele straat zit plotseling zonder stroom.’

Bart





De fruitschaal

De fruitschaal

‘Waar kijk je naar?’, vroeg Truus tijdens ons tien uur koffiemomentje toen het opviel dat ik al vijf seconden mijn mond hield en bewegingsloos naar iets op tafel staarde.
‘O, ik kijk naar de fruitschaal en moet aan mijn moeder denken. Ze was altijd zo blij met die schaal.’

‘Bart, die schaal heeft net zo weinig met je moeder te maken als een ooievaar met bevallingen. Hij was van mijn Oma. Die van je moeder is jaren geleden gesneuveld.’

‘Schat, deze stond al bij mijn moeder op tafel toen jij nog op de tekentafel lag. Ik heb vast nog wel een foto uit die tijd.’
‘Kan niet. Deze was van mijn Oma. Hij is echt antiek!’
‘Ja, je Oma ook.’

‘Soms vraag ik mij wel eens af hoe je het verzint.’
‘Verzint? Man het is toch zonneklaar? Deze schaal was van mijn Oma!’ 
‘Het fruit wat er op ligt zeker ook! Die appel heeft een rimpel van ouderdom.’
‘Heb je je eigen hoofd al eens bekeken?’

‘Truus, je lijkt soms net je moeder. Die heeft het geheugen van een makreel.’
‘Van een makreel?’
‘Ja, wat dat betreft valt de appel niet ver van de boom.’

‘Dat klopt, en hij valt precies in de fruitschaal van mijn Oma. En die staat hier voor je op tafel.’

Bart

Toneel

Toneel

‘Goh Bart, druk?’, vroeg een voorbijganger die in de buurt wordt aangeduid als “niet-zo-snugger”. Ik was op de oprit bezig met het poetsen van de fiets van Truus. 

‘Mogguh, ja onderhoud hè.’
‘Jouw fiets?’
‘Nee, van Truus.’
‘Kan ze dat zelf niet?’
‘Nee.’

‘O. En nu moet jij het opknappen?’
‘Ja, dat moet ik.’
‘Ze boft maar met zo’n vent’, vond hij.
‘Ze boft zeker. En niet alleen vanwege fietspoetsen.’
‘Niet?’
‘Nee, ik beschik over heel veel kwaliteiten.’
‘Zoals?’
‘Toneelspelen.’

‘O? Ben jij van de toneelclub hier uit het dorp?’
‘Nee joh, dat is ver beneden mijn niveau.’
‘Wat dan?’
‘Ik doe one-man stukjes.’
‘Solo?’
‘Ja, dat zeg ik toch?’
‘O, leuk.’

‘En dat doe je voor publiek?’
‘Ja.’
‘Waar dan?’
‘Hier op de oprit.’
‘En wat is dan het onderwerp?’
‘Fiets poetsen van Truus.’

Bart


Een ontdekking

Een ontdekking 

‘Zo, heb je dat gelezen? Van dat schilderij? Wat ze hebben ontdekt?’
Truus hing met haar neus boven haar tablet. Ze las de krant. Dat is dan ook het moment dat ik mijn tablet-met-krant aan de kant leg want van enige concentratie van mijn zijde kan dan geen sprake meer zijn: elk voor haar interessant artikel wordt met mij gedeeld. Hardop.

‘Vertel’, riep ik met een zucht.

‘Ze hebben waarschijnlijk een Rembrandt ontdekt. Bij de kringloop. Die man heeft hem daar voor tien euro gekocht. Hoe is het mogelijk!’

‘Hoe heet het schilderij’, vroeg ik. ‘Dame met de satisfyer?’
‘Doe normaal Bart. Het is echt een ontdekking die veel geld waard is.’
‘Wat is veel?’, vroeg ik.
‘Vele miljoenen.’
‘Mooi! Zal hij blij mee zijn!’

‘Trouwens, hij overweegt hem voor een ton over te doen aan het Rijksmuseum. Voor een ton! Snap je dat nou?’
‘Hoezo?’
‘Dat is toch veel te weinig?’

‘Hoezo is dat te weinig? Is toch een mooi bedrag? Als we een ton voor je moeder kunnen beuren, zit ze vanavond nog in het openluchtmuseum.’

Bart

Een klusje

Een klusje

‘Kijk Truus, hier is het gebeurd’, meldde ik toen we met de auto langs het buurtcentrum reden.
‘Wat is hier gebeurd dan?’, vroeg ze.
‘Hallo, waar ben ik vanochtend geweest?’ 

Had ik weer. Een vergeetachtige vrouw.

‘Ik denk naar het toilet. Tenminste, dat doe je elke ochtend. En dan, ik ben vanmorgen druk geweest. Ik kan ook niet alles in de gaten houden!’
‘En jullie vrouwen gaan er prat op meerdere dingen tegelijk te kunnen.’

‘Vertel, wat is er gebeurd dan?’, vroeg ze.
‘Schat, ik ben bij de vampier geweest. Of zegt je dat ook niks.’
‘Vampier?’
‘Ja, bloed wezen prikken!’
‘O? Is dat zo bijzonder dan? Je doet net of je een zware ingreep hebt ondergaan.’
‘Nou ja, zo voelde het wel. Ze zat met een pook in mijn arm te poeren. Weet je hoe zeer dat doet?’

‘Man, stel je niet zo aan. Een prikje in je arm. Ik heb twee kinderen gebaard. Over pijn gesproken.’
‘Dat zal, Truus. Maar dit was zeker geen pretje.’

Ze schudde haar hoofd. ‘Aansteller.’

‘Hoe dan ook: volgende week moet ik terugkomen. Op woensdag.’
‘Gaan ze dan weer tappen!’, vroeg ze.
‘Nee, dan halen ze de hechtingen eruit.’

Bart

Nieuwe vriend

Nieuwe vriend

‘Betsie heeft een nieuwe vriend’, vertelde Truus tijdens ons tien uur koffiemomentje.
‘Nieuwe? Wat was er mis met de oude?’, vroeg ik.
‘Oude? Je bedoelt Anton?’
‘Heette hij Anton?’
‘Ja. Die is er vandoor. Met Lucy. Dat is, eh.. was haar vriendin.’
‘Die Anton was toch eerst een Frits?’
‘Nee, die was ver vóór Anton. Daar zat ook nog een Paul tussen.’
‘En waar is die dan gebleven?’
‘Wie? Frits of Paul?’
‘Laten we eens beginnen bij Paul. Wat is er met hem gebeurd?’
‘Paul is terug naar zijn vrouw. Dat is een nicht van Betsie.’
‘En Frits?’
‘Frits bleek naast Betsie ook nog een vriendin te hebben. Trudy, en die was zwanger.’
‘Van Frits?’
‘Nee van Jacob. Dat is weer een collega van Betsie.’
‘En wat was er met Jacob aan de hand?’
‘Jacob? Hoe bedoel je?’
‘Dat was toch de vader van het kind van Trudy?’
‘O, die is gillend weggelopen.’
‘Waarheen?’
‘Naar Betsie. Dat zei ik toch? Betsie heeft een nieuwe vriend. Je moet wel opletten als ik iets vertel!’

Bart

de “R”

De “R”

‘De “R” is weer in de maand, dus heb ik fruit gehaald’, meldde Truus tijdens ons tien uur koffiemomentje. 

‘Fruit, beginnend met een “R”. Rananen, rappels of reren? Zeg het maar, schatje.’ 
‘Doe niet altijd zo “Bart”. Je moet fruit eten. Is goed voor je!’

Ik vond dat ik moest zuchten. 

‘Jij eet te weinig fruit. Dat is niet goed. Je hebt je vitamine hard nodig. Je wordt een dagje ouder, je botten brozer, minder beweging.. Dus is fruit enorm belangrijk!’
‘Ja Mams’, lachte ik.

‘Bart, even serieus. En dan, ik ben je moeder niet!’
‘Nou ja, mijn moeder zorgde altijd goed voor mijn gezondheid.’
‘O, ik niet?’
‘Je bent mijn moeder toch niet!’

‘Nee, en daar mag je blij om zijn.’ 
‘Blij om zijn? Hoezo blij?’
‘Anders had er nu een enorme fles olifantenlevertraan in de fruitschaal gelegen.’

Bart

Een goed doel

Een goed doel

‘Agnes heeft een koelkast te koop, misschien iets voor ons?’, vroeg Truus tijdens ons tien uur koffiemomentje.
‘Koelkast? We hebben toch een koelkast?’ 
Pffft. Weer zo’n onzinnig voorstel.

‘Ja, maar ik wil er één voor in de garage. Twintig euro. Mogen we overmaken naar een goed doel.’
‘Truus, wat moet ik in Godsnaam met een koelkast in de garage? De motor staat er in, de fietsen, troep van je moeder, en nogmaals, wat moeten we ermee?’

‘Nou ja, ik ben dat geklaag over je lauwe biertjes ook wel een keertje zat. Heb je een eigen koelkast. En dan ook nog in je hobbyhok.’

‘Ik drink amper bier en onze keukenkoelkast is koud genoeg.’
‘Dan wil ik ook geen geklaag meer horen!’
‘Ik klaag nooit! Behalve als ik, net zoals nu, word geconfronteerd met onzinnige voorstellen van mijn echtgenote.’

‘Oké, wil jij Agnes dan even uit gaan leggen dat je afziet van de koelkast?’
‘Hoezo? Jij hebt haar toch gesproken?’
‘Klopt, maar nu gaat ze dankzij jou, onze bijdrage voor het goede doel missen.’
‘Goed doel? Wat voor een goed doel?’

‘Etentje met haar collega’s van de gemeente.’

Bart

De APK

Ik moest naar de garage. Nou ja, garage: in het kader van de jaarlijkse "APK" mocht ik mij melden bij de dependance van de huisartsenpost. Waarom het APK heet is mij niet duidelijk want toen ik mij bij het loketje meldde hoefde ik mijn autopapieren niet te laten zien. Rijbewijs was voldoende.

‘Hoe voelt u zich?’, vroeg de monteuse-van-dienst terwijl ze mij van bureaublad-afstand aan een nader onderzoek onderwierp.

Ik gooide al mijn kwalen op alfabetische volgorde op de desk waarna ze via de muis in de computer verdwenen. Vervolgens werden mijn bloed en plas nog onderwerp van bespreking waarna ze op de totaalknop duwde en tot de conclusie kwam dat ik vooral op de ingeslagen weg door moest gaan. 

Omdat ik niet precies wist welke weg dat dan zou moeten zijn, kwam ze niet veel verder dan dat ik gewoon op dezelfde voet door kon leven. Maar dat was ik zelf ook al van plan.

Toen ik bij thuiskomst rapport uitbracht bij Truus hebben we samen nog wat gepuzzeld met de letters APK. 
We zijn eruit: Administratieve Patiënten Komedie.

Bart

Een ziel

Een ziel

Hé Rut, wat loop jij met je ziel te sleuren!’, riep ik tegen een voorbij slenterende straatgenoot die ooit de naam Rutger toegewezen had gekregen. Aardige vent, dat dan weer wel.

‘Hoi Bart, kun je het zien dan?’, vroeg hij.
‘Ja, je rechterarm staat wat vreemd ten opzichte van de linker.’

Hij inspecteerde zijn beide armen.

 ‘Hoezo vreemd?’
‘Alsof er iets onder je rechterarm zit. Maar dat moet vast je ziel zijn die je in de weg zit.’

‘Ach ja, Rosien heeft weer zo’n bui. Je  kent het wel. Jij bent toch ook getrouwd?'
‘Bui? Doet ze vervelend?’

‘Ja joh. Ze loopt de hele dag te zeuren dat ik in de weg loop. Kun je je voorstellen? Ik zit de hele dag op de bank voor de TV. Hoezo in de weg lopen?'

'Misschien wil ze wel dat je wat gaat doen ofzo', suggereerde ik. 
'Dat klopt, Bart. Daarom loop ik hier.'

Bart



Een klusje

Een klusje

‘Waar ben jij dan geweest? Ik heb je overal gezocht!’, vroeg Truus toen ik via de garagedeur binnen kwam lopen.

‘O, was jij het die een Amber-alert de wereld instuurde?’, lachte ik als reactie.
‘Bart, als je weggaat, zeg het dan even. Ik was hartstikke ongerust.’
‘Dat is een goed teken.’
‘Hoezo een goed teken!’
‘Nou ja, blijkt dat ik onmisbaar ben binnen dit gezin.’

‘Eikel! Waar was je?’
‘O, ik was even bij die man uit Syrië. Die woont hierachter. Naast die vioolkist.’
‘Vioolkist?’
‘Ja, die draadnagel die elke zondagochtend het psalmenboek van voor naar achter doorvioolt. Vreselijke vent!’

‘Wat moest je bij die Syrische man?’
‘Ach, ik stond op de oprit te vegen toen hij op mij af kwam lopen. Hij had een waterpas nodig voor het recht ophangen van zijn schoonmoeder. Hij had waarschijnlijk van iemand gehoord dat ik ook een schoonmoeder heb die scheef…’

‘Man, hou toch eens op met die flauwe grappen!’, onderbrak ze me. ‘Waarvoor had hij hem nodig?’
‘Hij moest een kastje ophangen. En toen ben ik meteen maar even meegelopen om hem te helpen. Hij heet trouwens Amir. Leuke vent!’

‘Kijk, goed bezig Bartje. Was zijn echtgenote ook thuis?’
‘Ja, die stond in de keuken. Ook heel aardig.’
‘Mooi, spreekt hij wel een beetje Nederlands?’
‘O ja hoor, klein beetje. En ik nu ook een beetje Syrisch. Makkelijke taal. Je haalt er veel Nederlandse woorden uit.’
‘Jaja, Nederlandse woorden. Droom lekker verder!’

‘Nou ja schat, weet je hoe een waterpas op zijn Syrisch heet?’
‘Geen idee Bart. Zal wel iets bijzonders zijn.’
‘Nee hoor, echt niet. Ze noemen het een rechtkijkding. En ik snapte meteen wat Amir hiermee bedoelde.’

Bart

Dinertje

Dinertje

'Zullen we dan voor het complete menu gaan?', stelde Truus voor. We zaten gezellig met zijn tweeën in een restaurant onze jaarlijkse herdenking van de trouwdag af te werken. Truus hecht daar altijd veel waarde aan. 'Traditie!', roept ze dan enthousiast. Ik nurrie altijd maar wat mee. 

'Kost dat?', vroeg ik.
'Veertig per persoon. Valt mee toch?'
Ik bestudeerde de kaart en kwam er al snel achter dat één van de ingrediënten vis zou zijn. Als ras- Hagenees ben ik niet van de vis. Ik heb teveel gezien. 

'Ik wil geen vis', riep ik.
'Dan geen menu', klonk de conclusie vanaf de overkant.'
'Kunnen wel even vragen of je ook iets van vlees kan krijgen.'

'De serveerster van dienst, die inmiddels drie keer was wezen vragen of we al hadden kunnen kiezen, vond het bijzonder spijtig. Het kon niet. Dus toen maar weer met de neus terug in de kaart.

'Dan ga ik voor de tournedos en de carpaccio', koos Truus. Om het niet al te ingewikkeld te maken koos ik maar voor hetzelfde.

'Bent u er nu uit?', vroeg de serveerster met een overdreven diepe zucht.
'Ja, graag twee keer nummer zeventien en twee keer nummer zesenveertig', lachte ik in de hoop iets van tevredenheid terug te krijgen.

'Wat bedoelt u met die nummers?', vroeg ze nors.
'Hallo, staan achter het gerecht', riep ik eveneens nors.
'Dat is geen gerecht meneer, maar de prijs.'

Bart

Vissen

Vissen

‘Agnes is dit weekend weg’, meldde Truus tijdens ons tien uur koffiemomentje. 
‘Ik zal het je moeder zeggen als ik straks boven kom.’
‘Slaat dat nou weer op?’
‘Hoeft ze geen kleefpasta onder haar gebit te spuiten.’
‘Bart, het gaat over buuf Agnes. Niet over mijn moeder. Wat zwam je toch!’
‘Schatje, altijd als Agnes het weekend thuis is en haar vriendje ‘s nachts komt vissen, dan rammelt op onze slaapkamer het fotolijstje met je moeder van de muur.’ 
Ze keek me aan. 
‘Wat ben jij toch een ongelofelijke kletskous.’
‘Dank je. Was jij niet degene die er laatst over begon?’, vroeg ik.
‘Waar over begon?’
‘Ja, over mijn sokken! Waar hebben we het nou over?’
‘Ben ik over Agnes begonnen?’
‘Ja, dat ze vaak een ander vriendje heeft.’
‘Daar had jij het over. Dat ze meer vriendjes heeft als dat er klinknagels in de Rijnbrug zijn geslagen.’
‘Zei ik dat?’
‘Ja, jij Bart. Dus hou alsjeblieft op met je vingerwijzing.’
‘Truusje, ik heb de klinknagels nooit geteld. Dus hoe kom je erbij!’
‘Hou maar op, dit leidt tot niets. En dan, ze heeft momenteel niet eens een vriendje!’
‘Dat zal, maar ze heeft wel een visvergunning. Dus je weet nooit wanneer ze beet heeft en er weer één aan de haak slaat.’

Bart

Een knal

Een knal

‘Hoi Bart, weer lekker aan het buitenspelen?’, vroeg buuf Annie van der Heuvel in het voorbijgaan aan onze oprit. Ik stond net de bezemsteel op doorbuigen te testen.

‘Ja, het is lekker weer, dus waarom niet.’
‘Mijn Joop gaat straks ook vegen.’
‘Heeft hij nog aanwijzingen nodig?’, vroeg ik.
‘Aanwijzingen? Waarvoor?’
‘Nou ja, ik heb ervaring met vegen. Voor hem is het zo te zien de eerste keer.’

‘Hoezo “zo te zien”?’
‘Nou ja Annie, laten we eerlijk zijn, er is geen tegel meer zichtbaar.’
‘Vervelende vent’, schold ze.

‘Trouwens, heb jij vannacht die knal nog gehoord?’
‘Nee, ik lag onder het dekbed. Dat dempt enorm.’
‘Onder het dekbed? Zo koud is het toch nog niet?’
‘Nee, maar zo had ik tenminste geen last van die knal.’

Bart

Laatste woord

Laatste woord

Ik stond, zoals wel vaker, net de schoonheid van onze oprit-straatkeien te bewonderen toen ze stopte. 

Moggûh Bart. Ik had het gisteren nog met Annie over jou: jij kunt altijd zo raar doen. Zo, hoe zal ik het zeggen, je hebt altijd een antwoord paraat. Het laatste woord is altijd van jou. Raar dus.’

Voor mij stond het orakel van de straat: Toos Harmsen. Een dametje met pit die in mijn beleving wekelijks een gang naar de kapper maakt. Niet voor de krullen maar om met een zeis de haren van haar tanden te laten maaien.

‘En dat irriteert of zo?’, vroeg ik. Ik was op mijn hoede want een gesprekje met deze dame was toch wel even wat anders dan kwebbelen met Annie van der Heuvel.

‘Nou ja, het lukt jou altijd weer om iemand verbaal de pas af te snijden. Annie, mevrouw Meijer, mevrouw Boerstoel, die mevrouw van de Porsche, je schoonmoeder, mevrouw Krul.. En ik denk dat jouw Truus ook nog wel eens op haar hoofd krabt.’
‘Mijn Truus krabt niet zelf, dat doe ik altijd.’
‘Kijk, dit bedoel ik nou. Weer het laatste woord.’  

‘Ja, en wat moet ik nou met deze opmerking?’, vroeg ik streng. ‘Elk vogeltje zingt zoals het gebekt is en binnen dat kader ben ik een kraai.’

‘Heb je hiervoor een cursus gevolgd of zo?’, vroeg ze.
‘Hoezo, wil je nog wat bijleren? Volgens mij ben je zelf ook behoorlijk van de tongriem gesneden.’
‘Nou, ik kan nog wel wat tips gebruiken. Mijn schoonmoeder begint de laatste tijd ook heel vervelend te worden.’

Bart


Het vaandel

Het vaandel 

‘De tomaten zijn op, wil jij straks even naar de Super lopen?’, vroeg Truus tijdens ons tien uur koffiemomentje.
‘Wat is het vandaag? Woensdag?’, vroeg ik.
‘Gisteren was het dinsdag..’
‘Dan heb je pech. Vandaag zit Karin Krul (buurtroddelaarster) achter de kassa. Dan ga ik niet.’
‘Kom op zeg. Je kunt toch wel even een boodschap doen? Wat is dit?’, hoorde ik haar protesteren.
‘Schat, straks weet de hele straat dat we tomaten hebben gekocht.’
‘Nou èn! Is dat erg dan?’
‘Ja, dat vind ik erg. Dat gaat niemand wat aan. Privacy Truus. Privacy staat bij mij hoog in het vaandel!’
‘Hoe groot is die vaandel van jou eigenlijk?’
‘Wat is dit nou weer voor een vraag!’ Ze kan soms zulke rare vragen stellen.
‘Nou ja, er staat van alles “hoog” in.’
‘Zoals?’ 
‘Je auto, je caravan, je bezem, je oprit, ik misschien?’
‘Jij? Dat weet ik even niet.’
‘O, laat me raden, ik moet mijn plekje natuurlijk eerst nog verdienen. En dat zal dan wel ergens vanavond…’
‘Vanavond??? Nee hoor schat, dan kun je geen tomaten meer halen, zit de winkel dicht.’

Bart

Ontbijtje

Ontbijtje

‘Bart, heb jij nou die laatste banaan opgegeten?’, vroeg de keuken met een indringende nadruk op “JIJ”.

‘Jazeker. Hij keek mij gisteren vanaf de fruitschaal aan met zo’n blik van “als je mij nu niet eet, dan ga ik van nijd overrijp worden”.’
‘Nou fijn dan, ik wilde hem in de yoghurt doen.’

‘In de yoghurt? Daar had deze banaan geen zin in, Truus. Hij zei nog, “alsjeblieft niet in de yoghurt”.’

Er stak nu een enorme mopperstorm op. 
‘Sta ik hier met mijn yoghurt en geen stukje fruit in huis!!’
‘Ik ben fruitig’, deed ik grappig in een poging de storm te laten luwen.Het werd niet gewaardeerd.

‘Is er nog beschuit?’, vroeg ze.
‘Moet je in het magazijn kijken. Stelling twee, plank drie.’
‘Kijk jij even. Ik sta hier met de handen vol.’

‘Waarmee dan?’
‘Ja, met mijn bakje yoghurt.’
‘Ik heb mijn handen ook vol.’
‘Waaraan dan?’, vroeg ze nijdig.
‘Aan jou!’

Bart

Tranen

Tranen

“Ik ga vanmiddag naar Ans’, meldde Truus tijdens ons tien uur koffiemomentje. 

‘Ans? Is dat niet dat Ui?’
‘Ui? Wat nu weer?’
‘Ja, altijd als zij binnen mijn cirkel komt, beginnen mijn ogen spontaan te tranen. En aangezien wrijven het alleen maar erger maakt…’

‘In jouw cirkel?’
‘Ja, dat is mijn virtuele veiligheidszone. Heeft met kusafstand te maken. Als iemand mij probeert te kussen, dan gaan intern alle alarmbellen af en treedt mijn afweersysteem in werking.’
‘En dan gaan je ogen tranen?’
‘Nee, dan draait mijn hoofd richting veilige stand.’

‘Maar bij Ans beginnen ze te tranen?’
‘Ja, dan raakt mijn systeem verstoord.’
‘Ik zal het vanmiddag met haar bespreken.’
‘Wat ga je met haar bespreken?’
‘Nou ja, dat bij haar aanwezigheid jouw systeem verstoord raakt. Dat zeg je net!’
‘Dat hoeft niet, ik heb al een oplossing gevonden.’
‘Ga je je systeem bijstellen?’
‘Nee, een teentje knoflook eten. Dan laat zo’n ui het wel wijselijk uit haar hoofd om binnen mijn circel te komen.’

Bart




De groeten

De groeten

‘Morgen Bart, weet je van wie jij de groeten moet hebben?’
‘Met deze blijkbaar voor haar belangrijke vraag stond buurtgenote Boerstoel op onze oprit. Ik was net bezig met een worsteling om een ontluikende paardenbloem tussen de keien vandaan te sleuren. 

‘Geen idee mevrouw Boerstoel. Ik heb volgens Facebook meer dan duizend vrienden. Tel daarbij op mijn familie, buurtgenoten en mijn schoonmoeder en dan snapt u wel dat het voor mij een enorme puzzel is. Ik zeg dus: Geen idee.’

‘Echt niet?’, vroeg ze ietwat verbaasd.
‘Nee, echt niet. Dat snapt u toch wel?’
‘Nou nee, je moet toch wel enig idee hebben?’
‘Heb ik niet.’
‘Denk dan nog eens goed na!’ 

Ik proefde bij haar iets van een beginnende irritatie.

‘Mevrouw Boerstoel, met alle respect, en met de beste wil van de wereld: ik heb echt geen idee. Dus de vraag aan u: van wie moet ik de groeten hebben.’
Ze haalde haar schouders op. 
‘Hoe moet ik dat weten? Het is toch jouw vriend.’

Bart


Laatste woord

Laatste woord

‘Heb jij de sleutels van de auto gehad?’, hoorde ik Truus met een luide stem vanuit de gang vragen.
‘Wanneer?’, vroeg ik om verduidelijking.
‘Vorig jaar! Wat denk je zelf?’ Ze kwam nu met grote passen de kamer binnen.

‘Ik moet weg!’
‘Ik hou je niet tegen hoor!’, grapte ik.
‘Ik moet met de auto! Waar zijn ze?’
‘Waar je ze voor het laatst hebt gelaten, schat.'

‘Bart, jij bent gisteren met de auto naar mijn moeder geweest. Zitten ze nog in je jaszak?’
‘Geen idee. Moet je even voelen. Jas hangt ergens in de gang!’

‘Ik zie hem niet.’
‘Zwart jack. Aan de kapstok!’
‘Kom dan even helpen, ik moet weg!’
‘En dan met zijn tweeën in mijn jaszak zoeken?’
‘Doe niet zo vervelend! Ik heb om tien uur een afspraak.’

Ik vond dat ik moest zuchten.

'Hier, voel dan!' ze had mijn jas van de kapstok getrokken en gooide hem toe. 
'Wat moet ik voelen?'
'Ze zitten er niet in.'
'Waarom moet ik voelen dan?'

Ik keek naar het mandje op het kastje. 
'Wat kijk je nou?'
'Ze liggen gewoon op hun plek.'
‘Waar dan?’
‘Ik zie ze zo liggen, onder een handschoen.’

Ze graaide ze uit het mandje.

‘Waarom ruim je je handschoenen niet op? Ik zoek me rot!’
‘Ik? Volgens mij zijn die handschoenen van jou, schat.’
‘Dat zal, maar dan heb jij ze er opgelegd.’

Bart

Jarig

Jarig

‘Bart, mocht je haar nog zien, vergeet haar dan niet te feliciteren. Ze is jarig vandaag’, waarschuwde Truus mij tijdens ons tien uur koffiemomentje.

‘Over wie hebben we het?’, wilde ik weten.
‘Onze Buuf. Agnes.’
‘O, is ze weer jarig?’
‘Ja, zoals elk jaar. En ze geeft zaterdag een feestje. Of wij ook komen.’

‘Wij? Tussen al die jongelui? Ik weet niet of ik daar zin in heb, Truus.’
‘Dan maak je maar zin. Is toch leuk! Blijf je jong bij!’

‘Lief dat je zegt dat ik nog jong ben. Maar vertel dat vooral ook tegen die verwend-generatie.’
‘Verwend-generatie?’
‘Ja, die denken dat de geldbomen tot in de hemel groeien.’

‘Waarom zou ik?’
‘Omdat ik al snel als “de Opa van Agnes” word weggezet.’
‘Jij? Als Opa van Agnes? Dat zou je willen! De Opa van Agnes is miljonair.’

‘Dat bedoel ik dus. Dat ik straks dat hele zootje om mijn nek heb hangen in de hoop dat Opa nog wat schuift.’

Bart

Afspraken

Afspraken 

‘Morgen Annie, jij bent al vroeg uit de veren’, merkte ik op toen ze aan onze oprit voorbij liep. Ik stond net buiten te vegen. 

'Nou Bart, jij kunt er ook wat van. Het is amper negen uur.'
'Kun je nagaan hoe vroeg je bent, Annie. Hoe gaat het trouwens met Joop?'
'O, die ligt nog plat. Ik denk dat hij met het afhechten bezig is. Ik moet trouwens opschieten, want anders is hij al beneden.'

'En dan? Is dat erg?', vroeg ik.
'Nou ja, zijn ontbijtje, zijn theetje, zijn krantje... Moet allemaal wel geregeld worden.'

'Kan hij dat zelf niet?'
'Vast wel, maar we hebben dat met ons trouwen zo afgesproken. En Joop is heel erg van de afspraak. Dus...'

'Liggen die afspraken vast? Op papier?'
'Hoezo wil je dat weten?'
'Dan wil ik graag een kopietje. Ik ben namelijk ooit ook getrouwd, maar compleet vergeten dit soort afspraken vast te leggen.'

Bart

Treingesprek

Treingesprek.

‘Ik hoorde het van Jan!’, vertelde ze. De ‘ze’ zat tegenover mij en naast een dame waarvan ik het idee kreeg dat ze iets van een vriendin was. Van haar dan. Die het over de Jan had.
O ja, ik zat in een trein. De trein van A naar B.

‘Klopt, ik heb het ook gehoord. Had ik niet verwacht.’ 
‘Nee, ik ook niet. Maar het is eigenlijk hetzelfde liedje als bij mijn zus.’
‘Ja, dat zou je bijna zo zeggen. Alleen was jouw zus niet zo.. hoe zal ik het zeggen..’
‘Van slag’, hoorde ik haar aanvullen.

‘Nou ja, van slag… Zij kan ook wel emotioneel reageren.’
‘Ja, dat geloof ik ook wel.’
‘Maar goed, Arnold zat er toen wel mee.’
‘Ja, Jan dus ook.’

‘Moeten wij er iets mee?’
‘Wie, wij? Wat dan?’
‘Weet ik niet. Misschien moeten we Jan een hart onder de riem steken?’
‘Je bedoelt even langsgaan?’
‘Zoiets, of een belletje plegen.’

‘Ik zou hem bellen. Bezoeken is gelijk weer zoiets.’
‘Ja, kunnen we doen. Bel jij dan?’
‘Ja, prima. Doe ik meteen als ik thuiskom.’
‘Fijn, en zeg dan maar dat ik met hem meeleef.’
‘Zal ik doen.’

‘Zeg, ik moet er hier uit. Ik bel je wel als ik Jan heb gesproken.’
Ze stond op, tikte haar vriendin op haar schouder en verliet de coupé.

‘Ja, het is allemaal wat, meneer’, verzuchtte de achtergebleven dame in mijn richting.
Ik keek haar aan en knikte instemmend. Het was inderdaad “allemaal wat”.

Bart