‘Ik bespeur een overdreven enthousiasme in je stem.’
‘O, is het weer niet goed? Kijk dan hoe leuk!’
Ze stond op en liep naar het raam.
‘En het blijft nog liggen ook!’
‘Geweldig hoor.’
De pijlen werden nu in mijn richting afgevuurd.
‘Jij vindt er dus niks aan’, concludeerde ze.
‘Nee, inderdaad. Het is als met zoveel dingen: Zolang het maagdelijk is, is het mooi. Maar wij van de mensheid kunnen er dan weer niet van afblijven.’
‘Klets niet. “Wij van de mensheid”.’
‘Ja Truus, zo is dat. Wij moeten dan weer van alles. Sneeuwpoppen maken, sneeuwballen gooien, de wegen strooien. Kortom, we maken er meteen weer een zootje van.’
‘Is toch leuk! Heb jij vroeger nooit sneeuwpoppen gemaakt of met sneeuwballen gegooid?’
‘Nee, ik niet. Had ik geen tijd voor.’
‘Hoezo geen tijd? Bleef je in bed liggen?’
‘Nee, ik kreeg dan les van mijn vader.’
‘Jij les van je vader?’
‘Ja, hoe je de oprit moest ontmaagden.’
Bart
