‘Bertje? Wie is Bertje?’, vroeg Truus.
‘Bertje zat bij mij in de klas.’
‘Klas? Man waar gaat dit over?’
‘Bert zat bij mij op de MULO. Hij is van een tweeling. Zijn zus zat er ook.’
‘Hoe heette die dan?’
‘Rolientje. Rolientje Jonasse. Die liepen dus samen over de dijk en ik kwam ze tegen!’
‘Ik ken ze niet.’
‘Ach vast wel. Het was zo’n mooie meid vroeger. En heel lief. Ik was smoor op haar.’
‘Wás een mooie meid?’, lachte Truus.
‘Ja, maar als ze er een keer met een strijkbout overheen gaan, keert de schoonheid vast weer terug.’
‘Was ze ook smoor op jou?’
‘Dat dacht ik wel.’
‘Hoezo “dacht ik wel”?’
‘Ze heeft een keer een hartje in mijn agenda getekend. Je weet wel, met zo’n pijltje er doorheen.’
‘Nou, dan was dat toch duidelijk? Haar naam erbij, en die van jou…’
‘Dat was nou net het punt, Truus. Ze schreef mijn naam verkeerd. Ron in plaats van Bart.’
‘Was ze je naam vergeten?’
‘Nee, ze had de verkeerde agenda te pakken. Ron zat naast mij.’
Bart
