‘Ja’, antwoordde ik op mijn best.
“Mijn best” is de houding die ik aanneem als ik helemaal geen zin heb in slap geklets. En aangezien deze opmerking ongetwijfeld aanleiding gaf tot een tijdje enorm slap gezwets, de rij was lang, schakelde ik dus over.
‘Eigenlijk is het te warm voor de tijd van het jaar. Het is zeker tien graden te warm’, ging ze verder.
‘Klopt.’
‘Eigenlijk is dat niet goed.’
‘Nee.’
‘De bomen lopen al uit.’
‘Ja.’
‘Straks krijgen we misschien nog vorst, gaan alle bladeren stuk.’
‘Zou zo maar kunnen.’
‘Aprilletje zoet geeft ook nog wel eens een witte hoed.’
‘Het is nog maart.’
‘Klopt, maar die kan er ook wat van: Maart roert zijn staart.’
‘Inderdaad.’
‘Maar dat geldt niet voor U.’
‘Niet?’
‘Nee, bij u krijg ik meer het gevoel van een chagrijnige maartse bui.’
Bart
