‘Ik niet’, protesteerde ik terwijl ik voor de spiegel mijn aspirant zomerjack aanschouwde.
‘Rood staat vrolijk’, probeerde ze.
‘Ik ben niet vrolijk, Truus.’
‘Waarom niet?’
‘Omdat ik geen rood wil.’
‘Wat wil je dan?’
‘Hebben ze hem niet in donkerblauw of zo? Kijk nog eens even?’
‘Bart, ik heb al drie keer het hele rek afgezocht, ze hebben jouw maat niet meer! Je bent te laat!’
‘Schat, het is toch bezopen dat ik in februari al te laat ben voor een zomerjas!’
‘Ik heb je gewaarschuwd, maar jij vond het onzin. Dus…’
‘Dus wat?’
‘Dus heb je pech en zal je het met deze moeten doen.’ Ze keek blij.
‘Andere winkel?’
‘Nee, daar heb ik geen zin in.’
‘Geen zin in? Hoezo geen zin?’
‘Omdat het gezeur dan weer van voren af aan begint.’
‘Leuke jas, meneer’, vond een verkoopster die langs liep.
‘Dat vind ik ook maar mijn man vindt de kleur niet mooi.’
‘Uw man heeft er weinig van te vinden, toch?’
‘Hoho, hoezo heb ik er niks van te vinden?’, chagrijnde ik.
‘Meneer, ze moet de hele dag al naar uw gezicht kijken, gun haar als beloning ook een pretje.’
Bart









































