‘Uw veter is los’, waarschuwde een dame mij die op een bankje zat waar ik op weg naar de Super langs liep.
Ik keek als reactie instinctief op mijn horloge.
‘Het is half één’, lachte ze.
‘O, maar daarvoor keek ik niet. Ik kijk bij zulke waarschuwingen altijd naar de datum.’
‘Het is februari meneer.’
‘In ieder geval geen één April’, lachte ik.
‘Ah… daarom keek u.’
‘Ja, mijn kleinkinderen foppen mij altijd en u raadt het vast wel…’
‘U trapt er altijd weer in’, lachte ze.
‘Zoiets.’
‘U mag wel even plaats nemen’, nodigde ze me uit.
‘Misschien handig’, antwoordde ik en nam naast haar plaats.
‘Heeft u een doel? Of loopt u gewoon wat rond’, vroeg ze.
‘Ik moet van mijn Truus een boodschapje doen. En aangezien mijn band lek is en de winkel niet ver weg, vond ik dat ik maar eens moest lopen.’
‘En u? Ook een doel?’
‘Ik? Nee hoor. Ik zit hier als tijdverdrijf. Mijn Jan is overleden en aangezien ik geen kinderen heb en de “overigen” mij ontvallen zijn, zit ik mijn tijd uit.’
‘Goh, vervelend’, probeerde ik mee te leven.’
‘O, nee hoor. In geen geval vervelend. Ik vermaak mij prima.’
‘Fijn. Ik ga weer verder. Fijne dag nog.’
Ik stond op en liep weg. Terwijl ik de eerste stappen zette herinnerde ik mij haar waarschuwing. Ik hield in en keek naar mijn veters. Toen naar haar. Ze gaf me een knipoog.
Toch gefopt.
Bart










































