‘Kun je wat minder hard door de bochten?’, klaagde mijn schoonmoeder die ik van Truus met de auto naar haar huis moest brengen.
‘Ik rij helemaal niet hard.’ Ik wees daarbij naar de naald van de teller die ergens tussen de zeventig en tachtig huppelde.
‘Je mág hier maar zestig.’
‘Wie zegt dat?’
‘Er staat al jaren een bord met zestig.’
‘U heeft niet eens een rijbewijs.’
‘Wat wil je daarmee zeggen?’
‘Dat u de betekenis niet kent.’
‘Hoezo? Er staat zestig op en het heeft een rode rand.’
‘Dat betekent dat er maximaal zestig auto’s tegelijk over deze weg mogen rijden.’
‘Hou toch op man.’
‘Je zit niet alleen in de auto, Bart.’
‘Nee, klopt. Ik heb het idee dat er een examinator naast me zit.’
‘Ik wil dat je oplet. Ik wil veilig thuiskomen.’
‘Meestal zitten bij mij kritische passagiers met een blinddoek vastgesjord in de riemen op de achterbank. Dus u heeft mazzel dat u naast mij mag zitten.’
‘Hou op met die onzin en let maar liever op de weg!’
‘Hoezo? Ik let toch ook op?’
‘Er rijden hier meer auto’s dan jij alleen!’
‘Klopt, maar zoals gezegd nooit meer dan zestig tegelijk’
Bart









































