‘Met de wat?’
‘Met de Wifi. Voor de computer.’
‘Joh, ik doe nooit iets met een.. hoe zei je?’
‘De Wifi. Ik heb geen signaal.’
‘O, dat heb ik zo vaak.’
‘Jij? Hoezo?’
‘Dan vraag ik iets aan jou maar krijg ik geen antwoord.’
‘Verdorie, altijd net als je iets moet.’
‘Wat moet je dan?’
‘Een dingetje voor in de krant.’
‘Je kunt ook een brief schrijven.’
‘Dat duurt een week voordat het over is. Een mailtje is er meteen.’
‘Dan stuur je toch een mail?’
‘Dat gaat niet omdat ik geen verbinding heb met internet. Dat zeg ik net!!’
‘Dat is dan pech.’
Ik meende iets van vrolijkheid op te merken.
‘Vind je het leuk of zo?’
‘Een beetje. Scheelt veel tijd. Je zit hele dagen achter dat ding. Kunnen we weer een keer onder elkaar signalen uitwisselen.’
‘Ik heb het niet over ons maar over een signaal wat ervoor zorgt dat ik zonder kabel kan internetten.’
‘In dat geval zou ik zeggen blijven proberen, Bart. Dat adviseerde mijn vader mij ook toen ik zonder zijwieltjes moest leren fietsen. En dat is uiteindelijk ook gelukt.’
Bart








































