‘Ook goede morgen meneer’, reageerde de dame achter de toonbank nadat ik haar bij binnenkomst vriendelijk had begroet.
‘Leuk hè, dat wij elkaar dat toewensen’, lachte ik. ‘Een goede morgen’, verduidelijkte ik toen ze mij na mijn opmerking vragend aankeek.
‘Ja, inderdaad. Eigenlijk doen we dat te weinig.’
‘Dat vind ik ook.’
‘Ik doe het ook in de huiselijke kring. Ik wens mijn echtgenote altijd een goede morgen. Zelfs mijn schoonmoeder als ze in de ochtend verschijnt.’
‘En als ze ‘‘s middags komt?’, lachte ze.
‘Dan komt ze er niet in, en hoef ik haar, behalve een prettige thuisreis, ook niks te wensen.’
‘Daar geloof ik niks van’, lachte ze. ‘Daar bent u veel te vriendelijk voor. Ik heb in de loop der jaren wel wat mensenkennis opgedaan en kan mensen zoals u wel aardig inschatten.’
‘Mooi, dan gaan we dat meteen even testen.’
‘Testen?’
‘Ja, met een klacht. U geeft namelijk waardeloze adviezen.’
‘Wie? Ik?’
‘Nee, mijn schoonmoeder.’
‘Ah, gelukkig. Ik dacht dat u mij bedoelde. Maar zoals gezegd kan dat natuurlijk niet want daar bent u veel te vriendelijk voor.’
Bart
