‘Er is toch niks mis met mijn eitje?’ Ik voelde wat onrust vanuit mijn maagstreek opborrelen.
‘Er loopt een kerel met een verrekijker in het weiland.’
‘Wat doet ie dan?’, vroeg ik tijdens de reis van de eethoek richting keuken.
‘Ja, wat doet iemand met een verrekijker. Wat denk je zelf?’
‘Ver kijken’, raadde ik.
‘Juist, volgens mij kijkt hij naar die boom daar.’
‘Waarom loopt die er dan niet gewoon naartoe!’
‘Ik hoorde dat er hier ergens in de buurt een bijzondere vogel is gespot. Misschien dat hij daar op afkomt?’
‘Heeft ie ook een telefoon bij zich?’
‘Weet ik veel, wat moet hij met een telefoon?’
‘Zijn vogelvrienden bellen dat het dingetje hier in de boom zit.’
‘Staat ie er nog?’, vroeg ik wat later toen ik met enige snelheid mijn ochtendritueel had afgewerkt.’
‘Jazeker, wat ben jij al snel in de kleren.’
‘Klopt. Ik moet even snel wat maatregelen nemen.’
‘Maatregelen? Wat bedoel je?’
‘Ja, als die vogelaar zijn vriendjes appt, dan staat de straat binnen een mum bomvol.’
‘En ga je nu de straat afzetten of zo?’
‘Nee even met de fiets langs die boom rijden. Twee keer flink bellen en dan zoekt dat vogeltje vanzelf wel een andere plek om een striptease op te voeren.’
Bart

Geen opmerkingen:
Een reactie posten