‘Ik zoek een paperclip.’
‘In de keukenla?’
‘Nee, in het naaimandje.’
‘Truus er lag hier een paperclip in de la. Daar heeft hij jaren gelegen en net nu ik hem nodig heb, is hij weg, foetsie, onvindbaar.’
Ik kon hier zo van balen.
‘Waar heb je hem voor nodig?’
‘Is niet interessant, Truus. Waar is hij gebleven.’
‘Is dat zo’n gebogen ijzeren dingetje?’
‘Ja.’
‘En hij lag los in de la?’
‘Ja.’
‘Oké.’
‘Trouwens even wat anders’, hoorde ik haar van onderwerp veranderen. Het klonk verdacht.
‘Weet je nog die rok van Mama. Die jij zo leuk vond?’
‘Hoezo leuk?’
‘Nou ja, dat zei je toen ze hem indertijd kwam showen.’
‘Truus, dat ding was net een aardappelzak. Hoezo vond ik hem leuk?’
‘Nou ja, hoe dan ook, ze was hier van de week omdat ze hem niet meer open kreeg. Het lipje van de rits was kapot.’
‘Oké, jammer van die zak, maar waar is mijn paperclip gebleven?!’ Ik baalde als een stekker.
‘Dat paperding kun je heel handig buigen en dan…’
‘Wacht even Truus. Loopt je moeder nu met mijn paperclip?’ Het moest toch niet gekker worden!
‘Ja, ze wilde de rok niet wegdoen.’
‘Niet wegdoen?’
‘Nee, dat vond ze sneu voor jou.’
Bart

Geen opmerkingen:
Een reactie posten