'Het begint er op te lijken', antwoordde ik zuinigjes.
We stonden beide met de fiets voor het rode verkeerslicht. Zij op een e-bike, ik op mijn opoe-kar.
'Waar begint het op te lijken?', vroeg ze.
'Op de lente. U zei net dat het weer echt lente is en toen zei ik dat het er op begint te lijken.'
'Ahh dat bedoelde u. Maar wat is volgens u dan de echte lente?', vroeg ze.
'Zoiets als vandaag', zuchtte ik.
'Dan klopt mijn stelling toch?'
'Welke stelling?'
'Dat het weer echt lente is.'
'Trouwens, heeft u al gedrukt?'
'Drukken?'
'Ja, op de knop. Om het groen te laten worden.'
‘Ik heb twee keer gedrukt maar er gebeurt weinig.’
‘U mag ook maar één keer duwen. Eén keer duwen is “aan”. Als je twee keer duwt gaat ie weer uit.’
‘En nu?’, vroeg ik.
‘Ja, nóg een keer op de knop drukken, anders staan we hier over een uur nog.’
‘Sorry, ik stam nog uit de tijd van de klaar-overs’, riep ik vanuit mijn herinnering terwijl ik nogmaals drukte.
‘Klaar-overs?’
‘Ja, dat waren verkeersregelaars die je hielpen oversteken. Heel handig.’
‘En wat was daar zo handig aan?’
‘Daar hoefde je nooit op te duwen. Gingen altijd vanzelf.’
Het licht sprong op groen.
‘Fijne dag nog’, riep ze.
‘Fijne lente’, riep ik per retour en gaf opoe de sporen.
Bart

Geen opmerkingen:
Een reactie posten