Ik liep afgelopen week een oud-collega tegen het lijf. Figuurlijk dan want zijn postuur had in de loop der vergeten jaren een dermate uitbouw ondergaan dat hij mij zonder pardon omver had gelopen.
Ik wist qua naam nog dat er iets van “Jan” in school, maar was de toevoeging kwijt. Jan-Pieter, Jan-Derk of beter nog: Derk-Jan. Ik wist het niet meer. Wel zijn achternaam: Haring.
Ik herinnerde me dat omdat ik een afkeer heb van vis. En ja: ook van deze. Deze “Haring” was er één waarvan ik met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid wist dat zijn ellebogen versleten waren en zoniet dan zeker wel zijn tong. Deze “Haring” was namelijk bedreven in het beklimmen van het carrièrepad zonder ook maar één noemenswaardige prestatie.
Ik probeerde hem nog te ontwijken, maar dat liep mis.
‘Hé, ken ik u niet ergens van?’, vroeg hij.
Deze vraag bood kansen.
‘Zou kunnen, ik u niet.’
‘Harm-Jan Haring’, riep hij enthousiast.
Ik hield een korte pauze.
‘Helaas meneer, er gaat bij mij geen enkele bel rinkelen.
‘Ik zou toch zweren, heet u niet Bart? Achternaam weet ik niet meer.’
Weer een korte pauze.
‘Nee, ik heet Dirk.’
‘Dan ben ik abuis.’
Hij liep verder en ik keek nog kort om. Ze waren wit uitgeslagen en inderdaad versleten.’
Bart
