Klok verzetten
‘Wat moet ik?’
‘Mama even helpen.’
‘Waarmee?’
‘De klok verzetten. Het is zomertijd. Hij moet een uur vooruit.’
‘Kan ze dat zelf niet? Ze is volgens jou nog zo goed bij de tijd.’
Ik had vandaag helemaal geen zin in mijn schoonmoeder. Ik wilde een motorritje rijden. Ik zei het.
‘Schat, ik wil vandaag een tochtje op de motor maken. Kan haar buurman niet even helpen?’
‘Nee, heeft ze ruzie mee.’
‘Ruzie? Wat heeft ze nu weer uitgespookt?’
‘Waarom denk jij altijd weer dat het aan haar ligt?’
‘Omdat ik haar ken. Ze is altijd wat moeilijk in de omgang.’
‘Bart, het ligt aan de bullebak van een buurman. Dat is zo’n klager. Ze had laatst koud de radio aangezet, stond hij alweer voor de deur om over de herrie te klagen.’
‘Kan ik me iets bij voorstellen. Als je de hele dag Mieke Telkamp aan moet horen, dan was ik er ook wel een keer klaar mee.’
‘Is het één klok of het hele carillion?’
‘Nee, die staande klok.’
‘Met die bimbam kerkklok?’
‘Ze heeft maar één staande klok, Bart.’
‘Dat ga ik met zo’n gevoelige buurman niet doen. Als dat ding één keer slaat, staat die weer aan de deur. En dan is er geen ontsnappen meer aan.’
Bart
Geen opmerkingen:
Een reactie posten