Totaal aantal pageviews

Posts tonen met het label Boek12. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Boek12. Alle posts tonen

zondag 5 juli 2026

Soepel

‘Kunt u het vinden?’, vroeg het winkelmeisje toen ik op mijn knieën een pak suiker uit het schap probeerde te trekken.’

‘Ik kan het wel vinden, sterker nog, ik heb het gevonden, maar ik kan er niet goed bij.’

‘Zal ik het voor u doen?’, bood ze aan.
‘Dat vind ik heel lief van je maar kun je dan ook met de rest van het lijstje meelopen?’
‘Dat gaat niet lukken meneer, ik moet de vakken vullen.’
‘Dat is inderdaad wat anders.’

‘Moet je soms ook de suiker bijvullen?’
‘O, dat zou zo maar kunnen. Maar laat ik u eerst maar helpen. Zal ik u overeind trekken? Dan kan ik erbij.’
Ze stak een hand uit. 

‘Zo erg is het niet hoor’, lachte ik politiek correct terwijl ik toch haar toegestoken hand pakte en mijzelf overeind trok.
‘Zo, nu jij’, lachte ik.
Ze ging soepeltjes op de knieën, pakte de suiker en stak het omhoog zodat ik het aan kon pakken.

‘Dan ga ik je nu een wederdienst bewijzen’, zei ik terwijl ik haar op mijn beurt een hand toestak.
‘O, maar dat is niet nodig meneer. Ik ben nog soepeltjes.’ Ze veerde overeind en stond in een flits weer naast mij.

‘Zou jij dat op mijn leeftijd ook nog zo soepel kunnen?’, vroeg ik.
‘Vast wel’, zei ze. ‘Maar dat is niet nodig.’
‘Niet? Laat jij het dan ook door een medewerkster doen?’
‘Nee hoor, ik gebruik gewoon geen suiker.’

Bart

woensdag 6 mei 2026

Rijbewijs

‘Annie gaat haar rijbewijs halen’, vertelde Truus tijdens ons tien uur koffiemomentje.
‘Wat zeg je?’
‘Dat Annie van der Heuvel haar rijbewijs gaat halen.’

‘O? Ga jij mee of zo?’
‘Ik mee? Wat zwam je nou? Ze gaat rijles nemen!’
‘Rijles. Kijk, nu vat ik hem. Ik dacht dat ze hem op moest halen. Waarom gaat ze dat doen? Joop heeft toch een rijbewijs?’

‘Joop mag vaak niet rijden. En ze heeft besloten dat ze niet meer van hem afhankelijk wil zijn.’
‘Hoezo mag hij vaak niet rijden. Mag hij dat niet van Annie?’
‘Nee, van de politie. Altijd als Annie een dagje naar haar moeder wil, heeft Joop teveel achter de kiezen.’
‘Hm, slim. Het is dat ik geen alchohol gebruik, maar anders…’

‘Ha die Annie, wat hoorde ik ga jij rijles nemen?’, vroeg ik haar die middag toen ze voorbij kwam lopen en ik de oprit veegde.

‘O? Is het al bekend in de buurt?’
‘Geen idee, Truus vertelde het mij vanochtend’
‘O, dan is het goed. Ja, ik wil ermee beginnen. Eens kijken of het lukt. Joop is een gevaar op de weg en mij lijkt het wel leuk. Dus..’

‘Al een rijschool gevonden?’
‘Nee, nog niet. Jaspers is gestopt en die andere, de Snelle Jelle, die is op de fles.’
‘Hm, je hebt ook nog Kreuzen aan de Industrieweg’, gaf ik aan.
‘Kreuzen? Dat is toch die kermisexploitant? Geeft die ook rijles?’
‘Ja, in de winterdag. Echt iets voor jou. Hij lest met botsauto’s.’

Bart

Een wond

‘Morgen meneer Bart’, hoorde ik een stem achter mij. Ik liep op dat moment achter een blauw Appie-karretje boodschappen te doen. Ik draaide mij om en herkende een buurtgenootje.

‘Morgen mevrouw Hoevers, ook aan de boodschap?’ 
‘Jazeker, dat moet wel. Niemand anders die het voor mij doet’, lachte ze. ‘Maar hoe gaat het met u?’
‘Met mij? Prima hoor, ik mag niet klagen.’

‘Ik vraag dat omdat u wat eigenaardig loopt.’
‘Wie, ik? Eigenaardig?’
‘Ja, ik zie dat u zich wat moeizaam en scheef achter dat karretje beweegt. Last van uw rug?’
‘Nou ja, ik kan nu gaan klagen over een oude oorlogswond, maar dat doe ik niet.’

‘Een oude oorlogswond? U?’
‘Hoort u mij klagen dan?’, vroeg ik.
‘Nee, dat niet.’
‘Dat komt omdat ik helemaal geen oorlogswond heb’, lachte ik. Ze schudde afkeurend haar hoofd. ‘U heeft altijd van die rare opmerkingen.’

‘Hoezo raar? Er zijn hier echt sporen van geweld zichtbaar, mevrouw Hoevers. Waarom denkt u dat ik zo moeizaam achter die kar loop?’
‘Geen idee, meneer Bart. Daarom stelde ik juist mijn vraag.’ Ze slaakte een diepe zucht.

‘Mijn karretje heeft een oorlogswond opgelopen. Het zwenkwieltje is door grof stoeprandgeweld scheef gebogen. Hij spoort niet.’ 
Ze keek me wederom hoofdschuddend aan.

‘Ik heb toch sterk de indruk meneer Bart, dat uw karretje niet het enige is wat hier niet helemaal spoort. Fijne dag nog.’

Bart


dinsdag 5 mei 2026

De enquete

‘De bel gaaaat!!!’, hoorde ik Truus ergens vanuit de catacomben roepen. Ze riep zo hard dat ze de bel overstemde. Ik liep dus op aandringen naar de voordeur en ontdekte Karin Krul (buurtroddelaarster) met een klembord in haar hand.

‘We doen nergens aan mee!’, riep ik vanuit de gang. Ze wees naar de deur en ik zag dat ze haar roddelklep bewoog. Ik moest enorm zuchten.

‘Hoi Bart’, riep ze toen ik de deur bewust op een kier hield. ‘Ik ben bezig met een enquete van mijn werk. Van de Super. Wil je meedoen?’
‘Wat denk jezelf?’, vroeg ik.
‘Is aan jou.’
‘Ik ben al bij Annie Heuvel geweest, maar die deed niet mee. Raar hè? Annie is bang voor haar privacy. Dat haar antwoorden worden misbruikt. Maar daar is geen sprake van.’

‘Er is bijvoorbeeld ook een vraag bij welk toiletpapier ze het liefst gebruikt. Daar is niks geheims aan, toch? Ik weet dat ze ons huismerk gebruikt. Dus… 
En ook een vraag over onze drogisterijproducen. Annie koopt altijd vitaminepillen en Joop haalt dan de condooms. Heb ik toch maar genoteerd.’

‘Van jullie weet ik trouwens ook al wat antwoorden. Dus die vragen hoef ik niet meer te stellen. Kan ik zo invullen. Maar toch nog een algemene vraag, Bart. Hebben jullie nog een tip hoe onze Super de dienstverlening nog kan verbeteren?’
‘Jazeker Karin. Schrijf maar op…’
‘Wat moet ik opschrijven?’ 
‘Ontsla de enquêteur. Het liefst op staande voet. Dag Karin!’
De deur viel met een klap in het slot.

Bart 


zondag 3 mei 2026

De oprit

‘Bart, de voordeurbel!’, riep Truus vanuit de kamer. Ik liep op dat moment in de garage mijzelf af te vragen wat voor een nuttige dingen ik zou gaan doen. Dat moment werd dus wreed verstoord door de voordeur-aankondiging van Truus die mij op de zoektocht naar nuttigheid had gestuurd.

Ik liep de hal in en ja hoor: daar stond iemand voor de deur. Een dame van middelbare leeftijd met de uitstraling van een ooievaar: een rood opgeschilderd klepperend bekkie. Ik opende zuchtend de deur. 

‘Goedemorgen mevrouw. Als u kleedjes komt verkopen: wij hebben zeer tot onze tevredenheid een kleedjesvrij huis en mocht u een poging willen wagen ons te bekeren moet ik u dat met klem afraden: het betekent het directe eind van de mensheid. Verder nog iets?’

‘Hahaha, meneer Bart. Ik kreeg uw adres van een caissière bij de Super. Volgens haar heeft u verstand van opritten.’ 

Ze keek me verwachtingsvol aan. 

‘Hoezo verstand van opritten? Of ik ze verkoop?’
‘Nee, het onderhoud. Wat adviseert u als bekleding? Beton, tegels, grint of misschien wel asfalt? U heeft zelf zo te zien straatkeien. Veegt dat gemakkelijk? Volgens die caissière veegt u elke dag. Dus…

'Dus u wilt een advies over de oprit?', vroeg ik.
'Ja, graag', klepperde ze.
'Die kunt u krijgen. Ik zou er een laag spiegelglad ijs opleggen. Dat scheelt echt een hoop gezeur aan de deur.'

Bart





vrijdag 1 mei 2026

Druiven

‘Hoi’, begroette ik het meisje achter de servicebalie.
‘Hoi’, geitte ze terug. 
‘Mag ik jou iets vragen?’
‘Als het maar niet om geld is’, giechelde ze.
‘Nee hoor, ik ga jou een vraag stellen over de druiven. De pitloze druiven.’
‘Daar weet ik niet veel van. Maar probeert u het toch maar. Wie weet.’

‘Hou je vast’, waarschuwde ik. ‘Ik heb vorige week een bakje rode pitloze druiven gekocht, maar die waren niet te eten. Droog, zuur en ik heb ook een handvol pitten ontdekt.’

‘O? Meent u dat?’
‘Jazeker. En het betrof het tweede gratis bakje. Het eerste bakje was wel goed!’
‘Goh, wat vervelend. En u heeft ze hier gekocht?’

‘Nee bij de groenteboer. Hallo, waarom denk je dat ik hier sta te klagen?’
‘Dat vraag ik mij ook af, meneer.’
‘Hoezo vraag jij je dat af?’
‘Omdat dit de Appie is en niet de groenteboer.’

Bart



zondag 11 januari 2026

struikelen

   
‘Heb jij nog iets van mevrouw Meijer gehoord? Hoe het met haar hondje is afgelopen?’, vroeg Truus tijdens ons tien uur koffiemomentje.

‘Wat was er met haar hondje?’
‘Hans Vruggink is er over gestruikeld.’
‘Kun je beter vragen hoe het met Hans is’, vond ik. 
Fout.

‘Met die lompe zak? Nou, dat interesseert me nou net geen ene moer. Befje, daar gaat het om. Ze hebben hem naar de dierenarts gebracht. Maar jij hebt dus niks gehoord?’
‘Nee, heb zowel mevrouw Meijer als Vruggink niet gesproken.’

‘Hm, dan loop ik er straks wel even heen. Beetje belangstelling tonen.’

‘Ik vind het trouwens een heel vervelend hondje. Hij bemoeit zich overal mee en loopt steeds voor je voeten. Ik kan me voorstellen dat Hans er over is gestruikeld.’

‘Hans moet beter uit zijn doppen kijken.’
‘Befje moet zich aan de regels houden.’

‘Regels? Hoezo regels?’
‘Hij moet luisteren’, vond ik.
‘Hij luistert juist heel goed. Beter dan jij!’

‘Oké, dan ligt het aan de baas, mevrouw Meijer.’
‘Hoezo aan mevrouw Meijer?’
‘Dan heeft zij hem het “loop in de weg” commando gegeven.’

Bart

zondag 4 januari 2026

Een bankje

'Wat een heerlijk weer, vind u niet?’, vroeg een bejaarde dame die naast mij op het bankje in de Appie plaats had genomen. 
Ik was het met haar eens.

‘Het is inderdaad heerlijk weer’, beaamde ik. ‘Jammer dat het bankje niet buiten, voor de winkel staat.’ 
‘Vroeger stond hij daar’, vertelde ze terwijl ze naar buiten wees. ‘Voor de oude gevel. Dat heb ik nog meegemaakt.’
‘Ik niet. Ik weet niet beter dan dat hij in de winkel staat. En ik ben toch ook al best een beetje op leeftijd.’

‘Hoe oud bent u als ik vragen mag’, vroeg ze.
‘Ik ben van vierenvijftig. Vorige eeuw!’
‘Dat snap ik. Vierenvijftig deze eeuw moet nog komen, en die van de negentiende eeuw is al lang voorbij. U bent dus éénenzeventig’, concludeerde ze.

‘Ik mag een dame natuurlijk niet naar haar leeftijd vragen’, lachte ik.
‘Ik ben van vijftig. Vorige eeuw.’
‘Dan schelen we vier jaar.’

‘Dat is niet veel’, vond ik.
‘Inderdaad. Dat is niet veel’, beaamde ze. ‘Maar het verschil in tijd is toch ruim voldoende’, merkte ik op.
Ze keek me vragend aan. ‘Ruim voldoende? Waarvoor?’

‘Om dit bankje van buiten naar binnen te verplaatsen.’

Bart

Een briefje

Een briefje

‘Jules vroeg of ik vanavond gratis mee wil naar een voetbalwedstrijd’, meldde ik tijdens ons tien uur koffiemomentje.

Het werd even stil en ik stond net op het punt om mijn mededeling in de herhaling te programmeren toen ik een keel hoorde schrapen gevolgd door het openen van een mond en het uitspugen van een spervuur aan vragen.

‘Bart, wie is in Godsnaam Jules?’
‘Voetbal? Sinds wanneer hou jij van voetbal?’
‘En wanneer is die wedstrijd en welke wedstrijd dan? ‘Toch niet met hooligans hè? Of is die Jules soms een hooligan?’

‘En hoe ga je daar heen? Ik heb vanavond de auto nodig. Ik ga toch naar de rummikub? Ga jij dan niet? Naar de rummikub bedoel ik.’
‘En is die Jules getrouwd? En waar woont hij dan? Hier in de straat? Ik heb nog nooit van een Jules gehoord. Ook niet via Karin Krul. Dus….’
Ze keek me vol verwachting aan.

‘Ben je klaar Truus?’
‘Nou ja, ik wil wel graag antwoorden.’
‘Krijg je niet. Ik ga niet.’

‘Wat is dit? waarom niet?’, riep ze nijdig.
‘Omdat ik helemaal geen zin heb. De vraag stond op een briefje dat op het prikbord bij de Super was geprikt.’
‘Waarom vertel je het dan?’
‘Omdat er ook een briefje hing van ene Loes. Die zocht een mannelijke reisgenoot voor een cruise door de Middellandse zee. Maar ik twijfel nog.’
‘Twijfel?’, riep ze.
‘Ja, vanwege mijn zwembroek. Het elastiek is tijdens de vakantie geknapt.’

Bart


Wrijven

Wrijven

‘Hoi mevrouw’, riep ik naar het meisje van de bloemen.
‘Hoi meneer’, riep ze terug. ‘Mooie bloemen hè?’
‘Dat zijn ze zeker. Complimenten’, zei ik terwijl ik mijn duim opstak.

‘Heeft u een speciale voorkeur?’, vroeg ze terwijl ze haar handen samenvouwde en begon te wrijven. Dat valt mij trouwens wel vaker op. Dat mensen met dit beroep hun handen samenvouwen en beginnen te wrijven. Dit meisje was daarin geen uitzondering. Ik vroeg ernaar.

‘Heb je het soms koud?’
‘Koud? Nee hoor. Hoezo?’
‘Omdat je in je handen wrijft. Meestal doen mensen dat als ze het koud hebben.’
‘Ik niet hoor. Het is een gewoonte. Mijn vriendje valt dat ook altijd op.’
‘Kijk, dan ben ik niet de enige.’
‘Klopt.

‘Welke bloemen zoekt u?’
‘O, niks bijzonders. Bosje fresia’s. Zoiets?’ Ik wees op een emmer.
‘Oké, een bosje fresiaatjes.’ Ze trok het uit de aangewezen emmer en liep naar de toonbank. 
Even later hield ik het in mijn hand en stond zij weer te handenwrijven. Ik kon het niet laten.

‘Wat zegt je vriend eigenlijk, als je zo staat te wrijven?’
‘O, die roept dan dat hij het gevoel krijgt dat hij door mij is beduveld’, lachte ze.

Bart

Het reisje

Het reisje

‘Buuf Agnes heeft volgende week vakantie’, vertelde Truus tijdens ons dagelijkse koffieoverleg. ‘Ze gaat naar Amerika.’
‘Kijk, van de contributie?’, reageerde ik.
‘Contributie?’
‘Ja, ze zit bij de gemeente en wij maken maandelijks de gemeentelijke contributie over. Dus…’
‘Man, doe toch niet altijd zo negatief. Ze heeft het als maatschappelijk werkster heel druk. Zeker met figuren zoals jij!’

Ik meende iets van irritatie in haar stem te bespeuren.

‘Truusje, het was een grapje. Waar gaat ze heen in Amerika?’
‘Overal. Rondreis. Met een bus.’
‘Leuk. Maar ik zou toch niet graag naar dat Trumpië gaan.’

‘Trumpië? Ze gaan naar Amerika Bart. Samen met Wilco en…’
‘Wilco? Is dat een nieuwe vriend?’, onderbrak ik.
‘Collega. Die ontvangt trouwens ook contributie.’

‘Het moet toch niet gekker worden’, vond ik.
‘Nou dat wordt het wel want er gaat ook een wethouder mee.’
‘Een wethouder? Van de gemeente?’
‘Ja, maar maak je niet ongerust. Hij houdt de uitgaven in de hand. Hij is namelijk wethouder van financiën.’

Bart




De koelkast

De koelkast

‘Morgen buurman, weer druk aan het vegen?’, vroeg een dame die ik herkende als Lies. Ze woont een paar deuren verder. 
‘Morgen Lies, zag ik het nou goed dat je de koelkast aan de weg hebt staan? Stuk?’
‘Ja, hij koelt niet goed. Johan zijn biertjes zijn lauw.’
‘Oké, maar voor de rest doet ie het nog goed?’, vroeg ik.
‘Ja, de verlichting doet het nog prima. Dus…’
‘Wat bedoel je Lies?’
‘Nou ja, mocht jij interesse hebben dan mag je hem ophalen.’
‘Nee joh, ik heb zelf nog een koelkast op marktplaats staan.’
‘Dat meen je! Ik zou vanmiddag met Johan naar de winkel voor een nieuwe. Is hij nog goed?’, vroeg ze geïnteresseerd.
‘Ja hoor, hij koelt als de beste en de verlichting is uitstekend.’
‘Is hij oud?’, vroeg ze verder.
‘Nee joh, pas nieuw. Ik denk een maandje.’
‘Waarom doe je hem weg dan?’
‘Omdat hij niet praktisch is. Truus heeft er moeite mee.’
‘Moeite? Waarmee dan? Zo moeilijk is een koelkast toch niet?’
‘Nee, dat vind ik ook’, zei ik.
‘Wat kost haar dan moeite?’
‘Nou kijk, bij deze koelkast gaat de deur naar binnen open. Kan ze de spullen niet goed kwijt.’

Bart

Fietsgevaar

Fietsgevaar

‘Wat kijk jij boos!’, stelde Truus vast nadat ze mij binnen zag lopen. Ik was even op de fiets naar de stad geweest voor een setje nieuwe dingetjes.

‘Ach ja, ik word helemaal gek van die terroristen hier in de stad.’
‘Terroristen?’, vroeg ze.
‘Ja. Vroeger waren het nog gewoon toeristen, tegenwoordig is het een kwalijke plaag. Ze lopen gewoon op de weg, en dan het liefst met tien man naast elkaar.’

‘Ja, dat herken ik wel. Het wordt steeds erger.’
‘Ja, en dan begint zo’n mutserig type ook nog te blèren dat ik te hard rijd.’
‘Nou, dat klopt wel, Bart. Je rijdt altijd als een idioot.’

‘Nou klink je net als dat mens.’
‘Dat zal. Maar je rijdt echt te hard. Ik kan ook nooit gezellig met jou fietsen. Ik sukkel er altijd achteraan.’
‘Dat komt omdat je teveel om je heen kijkt. Volstrekt niet geconcentreerd. Daarmee verlies je tijd, Truus.’

‘Ach ja, het zal wel aan mij liggen. 
‘Dat klopt.’
‘Maar zei dat mens verder nog iets?’
‘Ja, ze vond dat ik voortaan moest bellen.’
‘Dat klopt, heb je niet gebeld dan?’
‘Nee natuurlijk niet. Ik kan haar helemaal niet bellen. Ik heb haar nummer niet.’

Bart

Het bankje

Het bankje

‘Ik hoorde iets over een bankje wat de gemeente hier in de straat gaat zetten’, vertelde ik tijdens het tien uurtje.

‘Klopt’, zei Truus. ‘Ik heb het ook gehoord.’

‘Ik hoorde het van Hans Vruggink’, zei ik.
‘Ik van Annie van der Heuvel’, vertelde Truus. 
‘Het wordt een stalen bankje. Hufterproof’, ging ze verder.
‘Die van Hans van ruw gezaagde planken. Maar ik hoorde ook dat de bewoners mogen kiezen. Of staal of hout.’

‘O? En komen ze dan aan de deur vragen?’
‘Nee, het is inmiddels beslist’, zei ik.
‘O?, hoe dan?’
‘Hans en ik hebben gekozen voor hout.’

‘Hout? Dat meen je toch niet serieus? 
‘Jazeker meen ik dat serieus.’
‘Bart, op ruw gezaagde planken gaat toch niemand zitten?’
‘Klopt, dat is ook precies onze bedoeling.’

Bart


Een naam

Een naam

‘Bij Jansen is een kleinkind geboren. Een meisje’, vertelde Truus tijdens ons tien uur koffiemomentje.
‘En hoe heet ze?’
‘Treesje.’
‘Treesje? Hoe kun je je kind nou Trees noemen. Dat is toch echt een naam uit de tijd van de stoelenmatters en kantklossers.’ 
‘Ik had eigenlijk ook Trees moeten heten’, zei ze.
‘Hoezo?’
‘Ze wilden mij naar mijn Oma van mijn moeders kant vernoemen. Oma Trees. Mijn ouders zouden dan van hun een kinderwagen cadeau krijgen.’
‘Pure chantage’, riep ik.
‘Ja, echt wel.’

‘Maar dat is dus niet doorgegaan’, stelde ik vast.
‘Hoe bedoel je?’
‘Nou ja, je heet Truus, geen Trees. Trouwens, voor het eerst dat ik iets verstandigs hoor over je moeder. Maar hoezo dan de naam Truus?’

‘O, dat was niet zo moeilijk. Mijn andere Oma van vaders kant heette Truus. En die bood bij vernoeming behalve een kinderwagen ook nog een wiegje als cadeau aan.’

Bart



‘Ach ja, ik gokte op een “Trees”.’
‘Hoezo “Trees”?’
‘Omdat je er als een “Trees” uitzag. 


De fietstocht

De fietstocht

‘Hé Bart, wat is dat nou? op de fiets?’, vroeg een voorbijganger toen ik mijn fiets buiten op het lanceerplatform plaatste. Hij stopte.

‘Nee hoor, ik sta er naast. Straks ga ik op de fiets. Mocht je van dat historische moment getuige willen zijn, dan wil ik je vooraf wel even bellen.’
‘Nee zeg. Je gaat maar lekker fietsen.’

‘Je hebt trouwens een mooie fiets. Nieuw?’
‘Ja, en hij heeft trapondersteuning. Fijn karretje. Maar ik heb toch al duizend kilometer gereden.’

‘Waar gaat de tocht heen?’
‘Naar mijn schoonmoeder.’
‘O, kijk, is dat ver?’
‘Kilometer of dertig. Net lekker.’
‘Nou, mooi tochtje. Is ze jarig of zo? Je ziet er zo zondags uit.’
‘Ach nee, Ze belde in paniek vanmorgen. Ze heeft een spoeddingetje. Vandaar.’

‘Spoeddingetje? En dan ga je op de fiets?’
‘Ja, eigenlijk wilde ik lopen. Maar ik heb nieuwe schoenen. Dan loop ik het risico op een dikke blaar.’

Bart

Een postzegel

Een postzegel

‘Waar zit jij nou naar te kijken’, hoorde ik Truus vragen. Ik zat buiten in een tuinstoel naar ons grasveldje te staren.
‘Ssstttt!’, siste ik terwijl ik haar met mijn hand maande tot stilte. Ze had blijkbaar geen zin om het gas los te laten want ze ging gewoon door zoals het een vrouw met een “eigen willetje” betaamt.

‘Ik vroeg je wat, Bart’, zei ze.
‘Ik jou ook, Truus, maar blijkbaar telt dat niet.’

‘Ik luister naar het gras. Mijn moeder vertelde altijd dat ze het kon horen groeien.’
‘Dan stop maar, want jij bent doof. Nu even serieus graag.’

‘Ik zit van de schoonheid van ons veld te genieten. Het ziet er zo mooi en strak uit. Ik als tuinman zijnde ben er apentrots op.’

‘Nou, jij bent nogal een tuinman. Als ik zo naar mijn voormalige bloementuin kijk, dan zijn de planten verdwenen en tiert het onkruid welig.’
‘Ik heb het over mijn grasveld schat. Daar geniet ik nu even van.’

‘Bart dat zogenaamde “veld” van jou heeft de grootte van een postzegel. Daar ben je toch zo op uitgekeken?’ 

‘Hoezo op uitgekeken? Jouw vader verzamelde vroeger postzegels en die kon de hele middag naar zo’n stom papiertje staren. Daar zei ik toch ook niks van?’

Bart


Hulp

Hulp

Ik stond net op het punt om de eerste veegstreek op onze oprit te zetten, toen ze aan kwam lopen. Annie van de Heuvel. 

‘Morgen Bart.’
‘Morgen Annie.’

‘Bart, kun jij Joop misschien even komen helpen?’, vroeg ze.
‘Kan hij zelf niet op de pot kruipen?’, lachte ik.

‘Hij moet een lamp ophangen. Maar ik heb het idee dat hij zodadelijk zelf licht gaat geven. Hij is zo onhandig!’
Ze keek er enorm triest bij.

‘Je kijkt alsof je elk moment in een vreselijke huilbui gaat uitbarsten. Is hij al overleden of zo?’
‘Nou, daarnet nog niet, maar dat gaat vast niet lang meer duren’, mopperde ze.

‘Ik geloof Annie, dat Joop geen hulp van mij meer nodig heeft’, stelde ik vast toen ik wat later gewapend met een gereedschapskist bij hun voor de voordeur stond.
‘Hoezo geen hulp?’, vroeg ze terwijl ze de sleutel in de voordeur stak.

‘Nou, zo te horen heeft Joop  een rechtstreeks lijntje met onze Schepper. Daar ga ik echt niet tussen zitten.’ 

Bart


Klaver

Klaver

‘Ben je aan het doen?’, vroeg Truus toen ze mij op mijn knieën op het gras ontdekte. 
Ik keek op. 
‘Ik zoek naar het klavertje vier.’
‘HET klavertje vier of EEN klavertje vier.’
‘Nee, HET klavertje vier. Dat moet hier ergens tussen staan.’
‘Daarmee suggereer je dat je naar een bekend klavertje vier zoekt.’
‘Dat klopt Truus. Het is een bijzonder klavertje.’
‘Hoezo bijzonder? Afwijkende kleur of zo?’
‘Nee hoor, hij is gewoon groen. Dat maakt het juist zo lastig zoeken. Hij moet hier ergens tussen staan.’
‘Heb je vanmorgen je pilletjes wel ingenomen?’, vroeg ze.
‘Truus, moet je binnen niet iets schoonmaken? Je haalt me namelijk uit mijn concentratie. Nu weet ik niet meer waar ik gebleven ben!’
‘Ergens tussen de klavertjes drie en vijf.’
‘Ik hoor het al wel weer: je neemt mij niet serieus.’
‘Nee, vind je het gek? Op zoek naar HET klavertje vier. Wat is daar zo bijzonder aan dan?’’
‘Dat weet ik ook niet, schat. Dat wil ik nou juist ontdekken. Vandaar mijn zoektocht.’

Bart

De blik

De blik

‘Volgens mij heeft zij een nieuwe woning’, zei ik tegen buuf Agnes, wijzend naar een dame die op haar fiets net voorbij kwam rijden. Agnes stond bij mij op de oprit om uit te leggen dat ze haar relatie had opgezegd.

‘Wie is dat dan?’
‘Geen idee.’
‘Hoe weet je dan dat ze een nieuwe woning heeft?’
‘Ik zag de blik in haar ogen.’

‘Goh Bart, cursus gehad?’
‘Cursus?’
‘Ja, “ontdek de blik in de ogen van je medemens”.’
‘Heb ik niet nodig. Ik ben een natuurtalent.’

‘O? En waaruit blijkt dat?’
‘Kijk Agnes, toen jij net hier naartoe kwam lopen zag ik aan je ogen dat je je relatie hebt opgezegd.’
‘Jaja, zo kan ik het ook. Zwamneus!’

‘Ha die Truus’, riep Agnes toen mijn eega de voordeur uit kwam lopen.’
‘Wat ga je doen?’, vroeg ik.
‘Kijk even in haar ogen’, adviseerde Agnes. 
‘In mijn ogen kijken? Dat heeft hij al veertig jaar niet meer gedaan. Hoezo?’

‘O, Bart vertelde net dat hij aan de ogen van een net voorbij gereden dame kon zien dat ze een andere woning heeft.’ 
‘Jaja, mijn schoenzolen. Die dame die voorbij reed is Willemien van Braak. Ze is net gescheiden en heeft een andere woning. Ze heeft Bart gisteren gevraagd of hij wil helpen behangen.’

Bart