We liepen samen in de stad, Truus en ik, toen we hem zagen zitten: een op een artiest lijkend mansfiguur voorzien van een grote leren hoed, een sjaaltje, een bloes van boerenbont en spijkerbroek zoals een spijkerbroek hoort te zijn.
Hoe die hoort te zijn kan ik niet omschrijven, maar de lezers die een deel van de jaren zestig nog in hun hoofd hebben, weten wat ik hiermee bedoel. Dat dus.
De reden waarom ik inhield en stopte was simpel: deze man had een gitaarkist bij zich die hij ongetwijfeld zeer binnenkort ging openen om vervolgens een deun te spelen.
Ik ben liefhebber van akoestisch gitaarspel. Dat heeft vooral te maken dat ik in een grijs verleden zelf ook speelde. Niet op topniveau, maar laat ik het zo zeggen: ik kon “het huis van de zelfrijzende zon” van de Animals feilloos wegspelen. Mijn vader noemde het altijd “het huis van het zelfrijzend bakmeel”. Daarmee probeerde hij uit te leggen dat het niet te pruimen was.
Inmiddels had de man zijn hoed voor zich neergelegd, de kist geopend en zijn gitaar gepakt. Na wat gepingel en stem-gedraai aan de snaren begon hij zijn concert.
Om een lang verhaal wat in te korten: zijn repertoire bestond uit een mix van noten die je normaal gesproken in een oud-Hollandse notenbar aantreft maar beslist niet op een gitaar. Het was niet om aan te horen.
Nadat we het getroffen gebied hadden verlaten had ik het met mijn Truus nog even over een mogelijk cadeau voor mijn verjaardag: ik denk dat ik omwille van de lieve vrede het huis van de zelfrijzende zon maar laat voor wat het is. Een renovatie wordt vast niet op prijs gesteld.
Bart

Geen opmerkingen:
Een reactie posten