‘Boerstoel?’, vroeg ik.
‘Boerstoel? Nee, van de Hoek.’
‘Boerstoel woont toch op de hoek?’
‘Ik bedoel de familie van de Hoek. Jonas en Rietje. Hij heeft een kale kop. Die ken je toch wel?’
‘O, je bedoelt die eikel.’
‘Eikel? Wat heeft ie uitgevreten dan?’
‘Mij een eikel genoemd.’
‘O? En wat was de aanleiding?’
‘Hij liet zijn hond hier loslopen.’
‘Stroefje?’
‘Zijn hond.’
‘Ja, dat is stroefje. Dat is toch geen probleem?’
‘Geen probleem? Hoezo geen probleem?’
‘Stroefje luistert goed. Het is een scheet van een hond.’
‘Klopt, hij liet een scheet en toen kwam er iets mee.’
‘En toen?’
‘Toen ontstond er een kleine woordenwisseling met die eikel.’
‘Kan Stroefje toch niks aan doen? Trouwens, het is jou ook al eens overkomen.’
‘Truus, even voor de duidelijkheid: ik ben geen hond.’
‘Klopt, maar je loopt wel los.’
Bart

Geen opmerkingen:
Een reactie posten