Totaal aantal pageviews

zondag 23 augustus 2026

Vrouw met het rode haar

‘Weet je wie ik al lange tijd niet heb gezien?’, vroeg Truus tijdens ons tien uur koffiemomentje.
‘Hoeveel letters? Bedoel je soms je moeder?’ 
‘Die heb ik gisteren nog gezien, gekkie.’
‘Dat is voor jouw al “lange tijd”.’

‘Ik bedoel die vrouw met dat rode haar.’
‘Carry Tefsen?’
‘Carry Tefsen? Hoe kom je daar nou bij?’
‘Die heeft rood haar en heb je vast al lange tijd niet meer gezien.’ 
‘Hier in de straat bedoel ik. Kom, hoe heet ze toch?’

‘We hebben een Carla, een Agnes, een Boerstoel, een Rietje, een Anita, een Annie, een… ‘ 
‘Stop nou maar, hier schiet ik niks mee op.’
‘Meer vrouwen hebben we niet in de straat, Truus.’
‘Ach jawel, rood haar, kom eh… goh, het hangt op mijn lippen.’
‘Ik zie niks hangen.’
‘Aan jou heb ik ook niks.’

‘Klopt schat maar ik denk dat ik het al weet.’
‘Hij weet het weer. Zus van Carry Tefsen?’
‘Heeft die ook een zus? Maar die woont hier niet in de straat.’
‘Wie bedoel je dan?’
‘Ik denk dat je Carla-van-de-Porsche bedoelt.’
Ze schudde haar hoofd
‘Dat kan niet want die is blond.’

‘Dat klopt, maar vorig jaar was ze rood en zoals je zelf zegt: je hebt haar al lange tijd niet meer gezien.’

Bart





Bartiaans

‘Meneer, kunt u even aan de kant?’, vroeg een dame die met haar boodschappenkar al een paar keer tegen mijn achterkant had geduwd. En dan niet stevig doorduwen, nee van die korte nerveuze duwtjes. Waarschijnlijk om mijn aandacht te trekken. 

Dat ik hier niet blij van werd, moge duidelijk zijn. Sterker nog, ik heb er een ongelofelijke pesthekel aan. Dus reageerde Bartiaans.

‘Hoezo moet ik aan de kant, mevrouw?’
‘Omdat ik er bij moet en u er voor staat.’
‘Waar moet u bij?’
‘Bij de melk.’
‘Is dat even toevallig? Ik ook.’
‘Maar als u opschuift, dan kunnen we er allebei bij.’

‘Dat kan niet.’
‘Waarom niet?’
‘Omdat ik dat niet wil.’
‘Gaan we hier nou moeilijk staan doen?’, vroeg ze nijdig.
‘Ik niet.’
‘Ik ook niet, dus..’
‘Dus wat?’
‘Dus vraag ik het nog één keer: kunt u even aan de kant.’

Op dat moment naderde er een tegenligger die pal voor mijn kar inhield.

‘Meneer, mag ik er even bij’, vroeg ze vriendelijk. ‘Ik hoef alleen maar een pak melk.’
‘Natuurlijk mevrouw.’ Toen naar mijn tegenstander: ‘Wilt u met uw kar een stukje terugrijden? Dan kan ik ook iets naar achteren en kan deze dame hier bij de melk.’

Ik wachtte haar reactie niet af, gaf met mijn achterbumper een flinke ram tegen haar kar. Ze heeft het vast begrepen, of zij nog een pak melk heeft gescoord is mij niet duidelijk geworden. Ik in ieder geval wel.

Bart



Konijnen

Mijn echtgenote Truus en ik zijn kampeerders. Bij Truus is het er ooit met een paplepel ingegoten. Ik kreeg tijdens het gepap wat spetters mee. Niet veel, maar genoeg om het ook leuk te kunnen vinden. 
Soms echter word ik wel eens wat moe van gewoontes zoals bijvoorbeeld het ochtendritueel. 

Afgelopen tijd stonden we namelijk achteraan op een veldje. Mooie plek maar wel met het nadeel dat de “natte groep” helemaal vooraan was gesitueerd. Gevolg: het maken van heel veel meters waarbij je steeds langs de rij overige kampeerplaatsen moest tijgeren om bij het loosstation te arriveren. Zo ook ‘s ochtends vanwege de eerste lozing…

Van de eerste tot de twaalfde plek herhaalde ik steeds dezelfde beleefdheidsgroet: ‘goede morgen, goede morgen, ook goede morgen, goede morgen, smakelijk ontbijt, goede morgen, Moggûh….’ Behalve dat je er doodmoe van wordt, loop je het risico iemand te hebben overgeslagen en dat kan natuurlijk niet.

Tijdens één van mijn ochtendwandelingen richting riool meende ik er bij aankomst één te zijn vergeten. Geen punt, bedacht ik mij. Op de terugtocht kon ik het nog goedmaken. Toch twijfelde. Ter hoogte van plek twaalf zag ik ze zitten. Die was ik volgens mij echt vergeten.

‘Moggûh, ik twijfel of ik u al heb gehad’, lachte ik naar een oudere bep met papillotten in het haar. Haar man keek op. ‘Beste man, ik weet niet uit welk konijnenhok je vanmorgen bent ontsnapt, maar dit soort specifieke klussen doe ik toch echt liever zelf.’

Bart



Hordeur

‘Eigenlijk is zo’n hordeur een raar geval’, concludeerde ik nadat ik een tien minuten durende studie van het ding had afgesloten.

‘Wat is er raar aan de hordeur?’, vroeg Truus.
Ik moest even nadenken over hoe ik het moest uitleggen aan een a-technische partner die net op dat moment een beschuitje at.

‘Hij hort wat vreemd.’
‘Wat doet ie?’
Kijk, daar had je het al. A-technisch.

‘Hij hort vreemd. Hordeur, vreemd!’, herhaalde ik. 
Ze nam als antwoord een hapje beschuit.

‘Ik snap niet helemaal wat je bedoelt, Bart.’
‘Je kruimelt. Kijk eens naar die vliegen.’
‘Welke vliegen?’
‘Die zodadelijk op jouw beschuitkruimels-met-jam afkomen.’

‘Wat is daarmee aan de hand?’
‘Alles. De hordeur houdt ze niet goed tegen. Ze hadden buiten moeten blijven. Daarvoor hebben we dat ding aangeschaft.’

‘Jij maakt ook van elke vlieg een olifant!’
‘Wie? Ik?’
‘Ja, jij.’
‘Truus, er vliegen meer vliegen hier binnen dan buiten.’

‘Hm, dan heb je waarschijnlijk de deur verkeerd getimmerd.’
‘De deur verkeerd getimmerd?’ 
‘Ja, ik denk dat je hem om moet draaien.’

Bart