‘Zie ik het nou goed? Ben jij het, Bart?’, hoorde ik een stem achter mij. Ik liep bij de Super voor de aanschaf van een afwasborsteltje. Volgens Truus was de oude versleten en werd het tijd voor een nieuwe. Vandaar.
Ik draaide mij om en keek in het gezicht van een dame van ongeveer mijn leeftijd. ‘Jij bent toch Bart?’, vroeg ze, blijkbaar op zoek naar een bevestiging.
‘Klopt, ik ben één van de vele Barten die op aarde rondlopen. En wie bent u?’
‘Ach, gekkie, ken je mij echt niet meer? Alie, Alie van de Sluis. Ik zat op school naast je in de bank.’
‘Kakschooltje?’, vroeg ik ontwijkend terwijl ik dondersgoed wist wie ze was. Ze had op de lagere school naast mij gezeten. Een aandachtsgeil tiep waar ik ooit een pesthekel aan had en nu op mijn gevoel afgaand, nog steeds.
‘Kakschooltje? Lagere school bedoel je. Klas twee tot en met vier. Daarna hebben onze wegen zich gescheiden. Ik ben verhuisd en jij bent blijven zitten, toch? Hoe is het met je?’
Kijk, dat was zo’n vraag waar ik qua ontsnappingspoging wel iets mee kon.
‘Slecht’, zei ik streng.
‘Ach, gekkie. Meen je dat nou? Wat is er aan het handje?’
‘Onze afwasborstel is vanochtend overleden. En ik moet enorm opschieten want de begrafenisondernemer kan elk moment thuis arriveren om de crematie te regelen.’
Opgelucht verliet ik twee minuten later de winkel.
Bart

Geen opmerkingen:
Een reactie posten