‘Bart, kerel, hoe is het dan met je? Ik hoorde zulke verontrustende berichten over jou!’
‘Over mij?’, lachte ik.
‘Ja, over jou. Lies had er over.’
‘Wat zou er met mij aan de hand moeten zijn?’, vroeg ik toch ietwat ongerust.
‘Dat weet ik dan niet precies, maar het verhaal zingt rond dat het niet zo goed met jou zou gaan.’
‘In wat voor opzicht dan?’
‘Tja, daarvoor zou je de bron moeten raadplegen.’
‘De bron? Lies?’
‘Nee, mijn Lies is niet de bron. Dat is meer een doorgeefluik.’
‘Doorgeefluik?’
‘Ja, ze hoort wat en schuift het door.’
‘Raar verhaal. Bij HopSing hebben ze een doorgeefluik, maar ik denk dat de Chinees weinig over mij te vertellen heeft.’
‘Ach nee, natuurlijk niet. Ik bedoel dat ze het aan mij heeft doorverteld.’
‘Oké, de bron?’ Ik begon toch wat ongeduldig te worden.
Hij keek mij aan en wees naar de kassa.
Tja, ik had het kunnen weten: Krul, Karin Krul, buurtroddelaarster.
Binnen twee tellen stond ik bij de kassa.
‘Waarom vertel jij dat het niet goed met mij zou gaan?’
‘Ik?’, riep ze.
‘Ja, jij.’
‘Beste Bart, dat is niet anders dan het trekken van een conclusie.’
‘Conclusie?’
‘Ja, je bent al een week niet meer op je oprit gesignaleerd. Dus..’
Bart
