‘Waar zit jij nou naar te kijken’, hoorde ik Truus vragen. Ik zat buiten in een tuinstoel naar ons grasveldje te staren.
‘Ssstttt!’, siste ik terwijl ik haar met mijn hand maande tot stilte. Ze had blijkbaar geen zin om het gas los te laten want ze ging gewoon door zoals het een vrouw met een “eigen willetje” betaamt.
‘Ik vroeg je wat, Bart’, zei ze.
‘Ik jou ook, Truus, maar blijkbaar telt dat niet.’
‘Ik luister naar het gras. Mijn moeder vertelde altijd dat ze het kon horen groeien.’
‘Dan stop maar, want jij bent doof. Nu even serieus graag.’
‘Ik zit van de schoonheid van ons veld te genieten. Het ziet er zo mooi en strak uit. Ik als tuinman zijnde ben er apentrots op.’
‘Nou, jij bent nogal een tuinman. Als ik zo naar mijn voormalige bloementuin kijk, dan zijn de planten verdwenen en tiert het onkruid welig.’
‘Ik heb het over mijn grasveld schat. Daar geniet ik nu even van.’
‘Bart dat zogenaamde “veld” van jou heeft de grootte van een postzegel. Daar ben je toch zo op uitgekeken?’
‘Hoezo op uitgekeken? Jouw vader verzamelde vroeger postzegels en die kon de hele middag naar zo’n stom papiertje staren. Daar zei ik toch ook niks van?’
Bart
Geen opmerkingen:
Een reactie posten