Had ik weer: krijg je opdracht voor het aanschaffen van een pot zilveruitjes, loop je naar de Super, pakt een mandje, loopt rechtstreeks naar de zuurgang, staan daar midden op het pad, precies ter hoogte van vak Z, twee buurtganzen met elkaar te gakken. Eén kende ik bij naam, Betsie. De ander van gezicht. Ze zat Truus wel eens in de weg tijdens de rummikub. En het daaruit voortvloeiende gejank moest ik dan na thuiskomst weer aanhoren.
‘Dames, mag ik er even bij?’, vroeg ik.
Ze richtten zich nu op mij.
‘Bart! Nou ja zeg, dat is ook toevallig, we hadden het net over jullie!’, riep rummikub.
‘Jullie?’, vroeg ik terwijl ik overdreven omkeek.
‘Ja, Truus en jij. Dat Truus zo’n vriendelijk mens is. Altijd zo positief.’
‘En jij vaak zo mopperig, zo zuurpruimerig’, voegde zij met de naam Betsie eraan toe.
‘Klopt, en mijn zuurgehalte hou ik graag op niveau, dus, dames, als u een stapje aan de kant doet, dan kan ik bij schap Z.’
‘Schap Z?’
Rummikub keek mij vragend aan.
‘Ja, ik wil graag een pot zilveruitjes.’
‘O! In dat geval, Bart, kun je beter naar vak A lopen.’
‘A?’
‘Ja van Augurken. Eén keer daags een zure bom houdt de zuurgraad beter op niveau dan een hele pot zilveruitjes.’
Bart

Geen opmerkingen:
Een reactie posten