De Jongens
‘Zo koud is het nog helemaal niet, schat. Bovendien moet het nog winter worden.’
‘Daar gaat het niet om. Het gaat erom dat ik het koud vind. Of heb je daar bezwaar tegen?’
‘Nou, geen bezwaar, maar ik ben van mening dat we tegenwoordig te snel klagen. Vroeger, toen ik nog een piemke was, vroor het soms wel twintig graden. Nooit geklaagd.’
‘Ik behoorde zelfs tot de Jongens van Jan de Witt.’
‘Was dat de padvinderij?’
‘Nee, een beweging die van aanpakken hield. Harde jongens die het woord “klagen” uit hun vocabulaire hadden geschrapt. Mannen die tegen een stootje konden.’
‘En jij hoorde bij “de jongens”?’
‘Jazeker Truus. Wij sleepten ons door de sneeuw, hielpen buren met ruimen, kapten hout, schepten kolen uit het kolenhok, kortom, wij waren de jongens die Nederland door de donkere dagen hebben gesleept. De jongens van Jan de Witt.’
Ze keek me aan.
‘Klaar?’
‘Wat bedoel je?’
‘Of je bent uitgezongen. Met je autobiografische lofzang.’
‘Wat bedoel je? Geloof je me niet?’
‘Ik heb het idee, Bart, dat je lang geleden of geroyeerd bent of dat je zelf het lidmaatschap van “De Jongens” hebt opgezegd.’
‘Slaat dat nou weer op?’
‘Toen ik je vorige maand vroeg om de tuin winterklaar te maken, vond je het te nat en veel te koud. Ik bedoel maar.’
Bart
Geen opmerkingen:
Een reactie posten