‘Weet jij waar mijn blauwe kopje is gebleven?’, vroeg ik Truus tijdens ons tien uur koffiemomentje. Ik miste hem. Daar kwam ik achter toen ik hem uit het keukenkastje wilde pakken en misgreep. Hij stond altijd op een vaste plek. Ik vind dat handig want dan hoef je nooit te zoeken.
Truus heeft dat minder. Eigenlijk helemaal niet. Ik bedoel dan spullen op een vaste plek zetten.
‘Het blauwe kopje is onlangs overleden’, legde ze glimlachend uit.
‘Wat vertel je me nou? Overleden? Is het stuk? Mijn blauwe kopje? Truus, het is verdorie het kopje waar ik vroeger uit heb leren drinken!!’
‘Ja, en nu is het stuk. Doe jij nog even koffie in?’
Ik moest even bijkomen.
‘Koffie!’, hoorde ik vanaf de andere kant van de tafel. Koud, kil, zonder een spoortje medelijden.
‘Hallo, ik krijg net een overlijdensbericht van een dierbare en dan kun jij het alleen maar over koffie hebben!’
‘Ja, en hoe toevallig: in de kast ligt een bakje met natte cake.’
‘Dat kopje was bijna zeventig jaar oud.’
‘Hm, dan ben je wel erg laat beginnen te drinken, schat. Leg de cake maar op een schoteltje. Beetje sfeervol, hè?’
‘Sorry Truus, maar je houdt ook werkelijk geen spoortje rekening met mijn emotie.’
‘Misschien moet je je niet zo aanstellen.’
‘Aanstellen? Omdat je mijn blauwe kopje hebt vermoord?’
‘Man, wees blij dat het je kopje was en niet je bierglas.’
Bart
