‘Wanneer dan?’, wilde ze weten.
‘Net, dat zeg ik toch?’
‘Waarom heb je mij niet geroepen? Ik was boven.’
‘Ze vroeg niet naar jou.’
‘Wat moest ze dan?’
‘Geen idee.’
‘Maar wat zei ze dan?’
‘Zoals gebruikelijk niets, helemaal niets.’
‘Oké, flauw. Wat vertelde ze dan?’
‘Dat zei ik toch: niks, noppes, nada.’
‘Bah, je hebt echt weer zo’n bui!’
‘Wat bedoel je met “zo’n bui”?’
‘Dat ik geen fatsoenlijk gesprek met je kan voeren.’
‘Je kunt met mij een prima gesprek voeren, maar dan moet het wel zinvol zijn.’
‘Dus mijn vraag over het telefoontje van mijn moeder vind jij niet zinvol?’
‘Nee want het ging nergens over.’
‘En dat bepaal jij voor mij?’
‘Wat bepaal ik voor jou?’
‘Of het zinvol was of niet.’
‘O, dat. Nee, het was niet zinvol.’
‘Ik bel haar wel terug.’
‘Moet je doen en verontschuldig mij dan maar even.’
‘Verontschuldigen? Jou? Waarom?’
‘Omdat ik net te laat was om haar telefoontje op te nemen.’
Bart
