‘Moggûh meneer Bart’, wenste een vrolijke mevrouw Mulder mij. Ze liep met haar hondje langs onze oprit.
Ook goede morgen mevrouw Mulder. Lekker aan de wandel?’
‘Ja, ik wilde even uitwaaien over de IJsseldijk en toen heb ik meteen Goudje uitgelaten. Heeft u het trouwens al gezien?’
‘Wat moet ik hebben gezien, mevrouw Mulder?’
‘De schapen. Als u goed kijkt, kunt u ze van hieruit ook zien.’
Ze wees naar de dijk.
‘Ja, klopt. Truus had het er vanmorgen ook al over. Toch leuk zo tegen de dijk.’
‘Echt wel. Ik kan er alleen de hond niet meer los laten lopen, die gaat er achteraan.’
‘Waar achteraan, mevrouw Mulder?’
‘De schapen. Soms is het net een wolf.’
‘Had u hem beter Wolfje kunnen noemen.’
‘Haha, ja zoiets.’
‘Maar het gevaar schuilt niet alleen bij onze hond. Ook de jeugd is een gevaar.’
‘Jeugd?’
‘Ja die hebben met spuitbussen verf op sommige schapen gespoten.’
‘Dat meent u?’
‘Ja, de ruggen van een aantal schapen zijn rood geverfd. En van één schaap ook nog de buik.’
‘O, maar dat heeft de boer gedaan’, wist ik.
‘De boer? Meent u dat, meneer Bart?’
‘Ja, zo kan hij zien welke ooi door welke ram is gedekt.’
‘Goh, wat slim! Dat had mijn moeder moeten weten’, lachte ze.
‘Uw moeder?’
‘Ja, dat had mijn Opa en Oma indertijd een hele zoektocht naar mijn vader bespaard.’
Bart

Geen opmerkingen:
Een reactie posten