‘Dat schaap van het begin van de straat loopt ook weer in de wei’, merkte ik tijdens ons tien uur koffiemomentje op.
‘Schaap?’, vroeg Truus.
‘Ja, ik weet niet hoe ze heet, maar het is zo’n onnozel ding.’
‘Onnozel?’
‘Ja, of vind je van niet?’
‘In de eerste plaats: Ik heb geen idee over wie je het hebt, dan vraag ik mij vervolgens af waar de kwalificatie “schaap” vandaan komt en ten vierde, waarom je haar onnozel vindt.’
‘Ten derde, Truus’, corrigeerde ik haar.
‘Ten derde?’
‘Ja, je ging van twee naar vier. Je sloeg drie over.’ Ik lachte een beetje om de sfeer overeind te houden.
‘Ik begrijp niet helemaal wat je bedoelt, maar goed, je bent wel vaker vaag.’
Ze lachte ook een beetje.
‘Wat lach je?’
‘Omdat jij lachte.’
‘Ik lachte niet omdat het leuk was.’
‘Ik ook niet.’
‘Je ging echt van twee naar vier.’
‘Ben ik al klaar dan?’
‘Geen idee, maar als je nu nog met drie komt, dan klopt het niet meer.’
‘Wat klopt er dan niet meer?’
‘Dan moet argument vier, je vraag rond de onnozelheid van het schaap, terug naar drie.’
‘Wie zegt dat?’
‘Ik, anders klopt het niet.’
‘Oké, let op, ik ga nu naar nu argument vijf: je zwamt zoals gebruikelijk weer enorm uit je nek.’
Bart

Geen opmerkingen:
Een reactie posten