Totaal aantal pageviews

zondag 4 januari 2026

Een bankje

'Wat een heerlijk weer, vind u niet?’, vroeg een bejaarde dame die naast mij op het bankje in de Appie plaats had genomen. 
Ik was het met haar eens.

‘Het is inderdaad heerlijk weer’, beaamde ik. ‘Jammer dat het bankje niet buiten, voor de winkel staat.’ 
‘Vroeger stond hij daar’, vertelde ze terwijl ze naar buiten wees. ‘Voor de oude gevel. Dat heb ik nog meegemaakt.’
‘Ik niet. Ik weet niet beter dan dat hij in de winkel staat. En ik ben toch ook al best een beetje op leeftijd.’

‘Hoe oud bent u als ik vragen mag’, vroeg ze.
‘Ik ben van vierenvijftig. Vorige eeuw!’
‘Dat snap ik. Vierenvijftig deze eeuw moet nog komen, en die van de negentiende eeuw is al lang voorbij. U bent dus éénenzeventig’, concludeerde ze.

‘Ik mag een dame natuurlijk niet naar haar leeftijd vragen’, lachte ik.
‘Ik ben van vijftig. Vorige eeuw.’
‘Dan schelen we vier jaar.’

‘Dat is niet veel’, vond ik.
‘Inderdaad. Dat is niet veel’, beaamde ze. ‘Maar het verschil in tijd is toch ruim voldoende’, merkte ik op.
Ze keek me vragend aan. ‘Ruim voldoende? Waarvoor?’

‘Om dit bankje van buiten naar binnen te verplaatsen.’

Bart

Een briefje

Een briefje

‘Jules vroeg of ik vanavond gratis mee wil naar een voetbalwedstrijd’, meldde ik tijdens ons tien uur koffiemomentje.

Het werd even stil en ik stond net op het punt om mijn mededeling in de herhaling te programmeren toen ik een keel hoorde schrapen gevolgd door het openen van een mond en het uitspugen van een spervuur aan vragen.

‘Bart, wie is in Godsnaam Jules?’
‘Voetbal? Sinds wanneer hou jij van voetbal?’
‘En wanneer is die wedstrijd en welke wedstrijd dan? ‘Toch niet met hooligans hè? Of is die Jules soms een hooligan?’

‘En hoe ga je daar heen? Ik heb vanavond de auto nodig. Ik ga toch naar de rummikub? Ga jij dan niet? Naar de rummikub bedoel ik.’
‘En is die Jules getrouwd? En waar woont hij dan? Hier in de straat? Ik heb nog nooit van een Jules gehoord. Ook niet via Karin Krul. Dus….’
Ze keek me vol verwachting aan.

‘Ben je klaar Truus?’
‘Nou ja, ik wil wel graag antwoorden.’
‘Krijg je niet. Ik ga niet.’

‘Wat is dit? waarom niet?’, riep ze nijdig.
‘Omdat ik helemaal geen zin heb. De vraag stond op een briefje dat op het prikbord bij de Super was geprikt.’
‘Waarom vertel je het dan?’
‘Omdat er ook een briefje hing van ene Loes. Die zocht een mannelijke reisgenoot voor een cruise door de Middellandse zee. Maar ik twijfel nog.’
‘Twijfel?’, riep ze.
‘Ja, vanwege mijn zwembroek. Het elastiek is tijdens de vakantie geknapt.’

Bart


Wrijven

Wrijven

‘Hoi mevrouw’, riep ik naar het meisje van de bloemen.
‘Hoi meneer’, riep ze terug. ‘Mooie bloemen hè?’
‘Dat zijn ze zeker. Complimenten’, zei ik terwijl ik mijn duim opstak.

‘Heeft u een speciale voorkeur?’, vroeg ze terwijl ze haar handen samenvouwde en begon te wrijven. Dat valt mij trouwens wel vaker op. Dat mensen met dit beroep hun handen samenvouwen en beginnen te wrijven. Dit meisje was daarin geen uitzondering. Ik vroeg ernaar.

‘Heb je het soms koud?’
‘Koud? Nee hoor. Hoezo?’
‘Omdat je in je handen wrijft. Meestal doen mensen dat als ze het koud hebben.’
‘Ik niet hoor. Het is een gewoonte. Mijn vriendje valt dat ook altijd op.’
‘Kijk, dan ben ik niet de enige.’
‘Klopt.

‘Welke bloemen zoekt u?’
‘O, niks bijzonders. Bosje fresia’s. Zoiets?’ Ik wees op een emmer.
‘Oké, een bosje fresiaatjes.’ Ze trok het uit de aangewezen emmer en liep naar de toonbank. 
Even later hield ik het in mijn hand en stond zij weer te handenwrijven. Ik kon het niet laten.

‘Wat zegt je vriend eigenlijk, als je zo staat te wrijven?’
‘O, die roept dan dat hij het gevoel krijgt dat hij door mij is beduveld’, lachte ze.

Bart

Het reisje

Het reisje

‘Buuf Agnes heeft volgende week vakantie’, vertelde Truus tijdens ons dagelijkse koffieoverleg. ‘Ze gaat naar Amerika.’
‘Kijk, van de contributie?’, reageerde ik.
‘Contributie?’
‘Ja, ze zit bij de gemeente en wij maken maandelijks de gemeentelijke contributie over. Dus…’
‘Man, doe toch niet altijd zo negatief. Ze heeft het als maatschappelijk werkster heel druk. Zeker met figuren zoals jij!’

Ik meende iets van irritatie in haar stem te bespeuren.

‘Truusje, het was een grapje. Waar gaat ze heen in Amerika?’
‘Overal. Rondreis. Met een bus.’
‘Leuk. Maar ik zou toch niet graag naar dat Trumpië gaan.’

‘Trumpië? Ze gaan naar Amerika Bart. Samen met Wilco en…’
‘Wilco? Is dat een nieuwe vriend?’, onderbrak ik.
‘Collega. Die ontvangt trouwens ook contributie.’

‘Het moet toch niet gekker worden’, vond ik.
‘Nou dat wordt het wel want er gaat ook een wethouder mee.’
‘Een wethouder? Van de gemeente?’
‘Ja, maar maak je niet ongerust. Hij houdt de uitgaven in de hand. Hij is namelijk wethouder van financiën.’

Bart




De koelkast

De koelkast

‘Morgen buurman, weer druk aan het vegen?’, vroeg een dame die ik herkende als Lies. Ze woont een paar deuren verder. 
‘Morgen Lies, zag ik het nou goed dat je de koelkast aan de weg hebt staan? Stuk?’
‘Ja, hij koelt niet goed. Johan zijn biertjes zijn lauw.’
‘Oké, maar voor de rest doet ie het nog goed?’, vroeg ik.
‘Ja, de verlichting doet het nog prima. Dus…’
‘Wat bedoel je Lies?’
‘Nou ja, mocht jij interesse hebben dan mag je hem ophalen.’
‘Nee joh, ik heb zelf nog een koelkast op marktplaats staan.’
‘Dat meen je! Ik zou vanmiddag met Johan naar de winkel voor een nieuwe. Is hij nog goed?’, vroeg ze geïnteresseerd.
‘Ja hoor, hij koelt als de beste en de verlichting is uitstekend.’
‘Is hij oud?’, vroeg ze verder.
‘Nee joh, pas nieuw. Ik denk een maandje.’
‘Waarom doe je hem weg dan?’
‘Omdat hij niet praktisch is. Truus heeft er moeite mee.’
‘Moeite? Waarmee dan? Zo moeilijk is een koelkast toch niet?’
‘Nee, dat vind ik ook’, zei ik.
‘Wat kost haar dan moeite?’
‘Nou kijk, bij deze koelkast gaat de deur naar binnen open. Kan ze de spullen niet goed kwijt.’

Bart

Fietsgevaar

Fietsgevaar

‘Wat kijk jij boos!’, stelde Truus vast nadat ze mij binnen zag lopen. Ik was even op de fiets naar de stad geweest voor een setje nieuwe dingetjes.

‘Ach ja, ik word helemaal gek van die terroristen hier in de stad.’
‘Terroristen?’, vroeg ze.
‘Ja. Vroeger waren het nog gewoon toeristen, tegenwoordig is het een kwalijke plaag. Ze lopen gewoon op de weg, en dan het liefst met tien man naast elkaar.’

‘Ja, dat herken ik wel. Het wordt steeds erger.’
‘Ja, en dan begint zo’n mutserig type ook nog te blèren dat ik te hard rijd.’
‘Nou, dat klopt wel, Bart. Je rijdt altijd als een idioot.’

‘Nou klink je net als dat mens.’
‘Dat zal. Maar je rijdt echt te hard. Ik kan ook nooit gezellig met jou fietsen. Ik sukkel er altijd achteraan.’
‘Dat komt omdat je teveel om je heen kijkt. Volstrekt niet geconcentreerd. Daarmee verlies je tijd, Truus.’

‘Ach ja, het zal wel aan mij liggen. 
‘Dat klopt.’
‘Maar zei dat mens verder nog iets?’
‘Ja, ze vond dat ik voortaan moest bellen.’
‘Dat klopt, heb je niet gebeld dan?’
‘Nee natuurlijk niet. Ik kan haar helemaal niet bellen. Ik heb haar nummer niet.’

Bart

Het bankje

Het bankje

‘Ik hoorde iets over een bankje wat de gemeente hier in de straat gaat zetten’, vertelde ik tijdens het tien uurtje.

‘Klopt’, zei Truus. ‘Ik heb het ook gehoord.’

‘Ik hoorde het van Hans Vruggink’, zei ik.
‘Ik van Annie van der Heuvel’, vertelde Truus. 
‘Het wordt een stalen bankje. Hufterproof’, ging ze verder.
‘Die van Hans van ruw gezaagde planken. Maar ik hoorde ook dat de bewoners mogen kiezen. Of staal of hout.’

‘O? En komen ze dan aan de deur vragen?’
‘Nee, het is inmiddels beslist’, zei ik.
‘O?, hoe dan?’
‘Hans en ik hebben gekozen voor hout.’

‘Hout? Dat meen je toch niet serieus? 
‘Jazeker meen ik dat serieus.’
‘Bart, op ruw gezaagde planken gaat toch niemand zitten?’
‘Klopt, dat is ook precies onze bedoeling.’

Bart


Een naam

Een naam

‘Bij Jansen is een kleinkind geboren. Een meisje’, vertelde Truus tijdens ons tien uur koffiemomentje.
‘En hoe heet ze?’
‘Treesje.’
‘Treesje? Hoe kun je je kind nou Trees noemen. Dat is toch echt een naam uit de tijd van de stoelenmatters en kantklossers.’ 
‘Ik had eigenlijk ook Trees moeten heten’, zei ze.
‘Hoezo?’
‘Ze wilden mij naar mijn Oma van mijn moeders kant vernoemen. Oma Trees. Mijn ouders zouden dan van hun een kinderwagen cadeau krijgen.’
‘Pure chantage’, riep ik.
‘Ja, echt wel.’

‘Maar dat is dus niet doorgegaan’, stelde ik vast.
‘Hoe bedoel je?’
‘Nou ja, je heet Truus, geen Trees. Trouwens, voor het eerst dat ik iets verstandigs hoor over je moeder. Maar hoezo dan de naam Truus?’

‘O, dat was niet zo moeilijk. Mijn andere Oma van vaders kant heette Truus. En die bood bij vernoeming behalve een kinderwagen ook nog een wiegje als cadeau aan.’

Bart



‘Ach ja, ik gokte op een “Trees”.’
‘Hoezo “Trees”?’
‘Omdat je er als een “Trees” uitzag. 


De fietstocht

De fietstocht

‘Hé Bart, wat is dat nou? op de fiets?’, vroeg een voorbijganger toen ik mijn fiets buiten op het lanceerplatform plaatste. Hij stopte.

‘Nee hoor, ik sta er naast. Straks ga ik op de fiets. Mocht je van dat historische moment getuige willen zijn, dan wil ik je vooraf wel even bellen.’
‘Nee zeg. Je gaat maar lekker fietsen.’

‘Je hebt trouwens een mooie fiets. Nieuw?’
‘Ja, en hij heeft trapondersteuning. Fijn karretje. Maar ik heb toch al duizend kilometer gereden.’

‘Waar gaat de tocht heen?’
‘Naar mijn schoonmoeder.’
‘O, kijk, is dat ver?’
‘Kilometer of dertig. Net lekker.’
‘Nou, mooi tochtje. Is ze jarig of zo? Je ziet er zo zondags uit.’
‘Ach nee, Ze belde in paniek vanmorgen. Ze heeft een spoeddingetje. Vandaar.’

‘Spoeddingetje? En dan ga je op de fiets?’
‘Ja, eigenlijk wilde ik lopen. Maar ik heb nieuwe schoenen. Dan loop ik het risico op een dikke blaar.’

Bart

Een postzegel

Een postzegel

‘Waar zit jij nou naar te kijken’, hoorde ik Truus vragen. Ik zat buiten in een tuinstoel naar ons grasveldje te staren.
‘Ssstttt!’, siste ik terwijl ik haar met mijn hand maande tot stilte. Ze had blijkbaar geen zin om het gas los te laten want ze ging gewoon door zoals het een vrouw met een “eigen willetje” betaamt.

‘Ik vroeg je wat, Bart’, zei ze.
‘Ik jou ook, Truus, maar blijkbaar telt dat niet.’

‘Ik luister naar het gras. Mijn moeder vertelde altijd dat ze het kon horen groeien.’
‘Dan stop maar, want jij bent doof. Nu even serieus graag.’

‘Ik zit van de schoonheid van ons veld te genieten. Het ziet er zo mooi en strak uit. Ik als tuinman zijnde ben er apentrots op.’

‘Nou, jij bent nogal een tuinman. Als ik zo naar mijn voormalige bloementuin kijk, dan zijn de planten verdwenen en tiert het onkruid welig.’
‘Ik heb het over mijn grasveld schat. Daar geniet ik nu even van.’

‘Bart dat zogenaamde “veld” van jou heeft de grootte van een postzegel. Daar ben je toch zo op uitgekeken?’ 

‘Hoezo op uitgekeken? Jouw vader verzamelde vroeger postzegels en die kon de hele middag naar zo’n stom papiertje staren. Daar zei ik toch ook niks van?’

Bart


Hulp

Hulp

Ik stond net op het punt om de eerste veegstreek op onze oprit te zetten, toen ze aan kwam lopen. Annie van de Heuvel. 

‘Morgen Bart.’
‘Morgen Annie.’

‘Bart, kun jij Joop misschien even komen helpen?’, vroeg ze.
‘Kan hij zelf niet op de pot kruipen?’, lachte ik.

‘Hij moet een lamp ophangen. Maar ik heb het idee dat hij zodadelijk zelf licht gaat geven. Hij is zo onhandig!’
Ze keek er enorm triest bij.

‘Je kijkt alsof je elk moment in een vreselijke huilbui gaat uitbarsten. Is hij al overleden of zo?’
‘Nou, daarnet nog niet, maar dat gaat vast niet lang meer duren’, mopperde ze.

‘Ik geloof Annie, dat Joop geen hulp van mij meer nodig heeft’, stelde ik vast toen ik wat later gewapend met een gereedschapskist bij hun voor de voordeur stond.
‘Hoezo geen hulp?’, vroeg ze terwijl ze de sleutel in de voordeur stak.

‘Nou, zo te horen heeft Joop  een rechtstreeks lijntje met onze Schepper. Daar ga ik echt niet tussen zitten.’ 

Bart


Klaver

Klaver

‘Ben je aan het doen?’, vroeg Truus toen ze mij op mijn knieën op het gras ontdekte. 
Ik keek op. 
‘Ik zoek naar het klavertje vier.’
‘HET klavertje vier of EEN klavertje vier.’
‘Nee, HET klavertje vier. Dat moet hier ergens tussen staan.’
‘Daarmee suggereer je dat je naar een bekend klavertje vier zoekt.’
‘Dat klopt Truus. Het is een bijzonder klavertje.’
‘Hoezo bijzonder? Afwijkende kleur of zo?’
‘Nee hoor, hij is gewoon groen. Dat maakt het juist zo lastig zoeken. Hij moet hier ergens tussen staan.’
‘Heb je vanmorgen je pilletjes wel ingenomen?’, vroeg ze.
‘Truus, moet je binnen niet iets schoonmaken? Je haalt me namelijk uit mijn concentratie. Nu weet ik niet meer waar ik gebleven ben!’
‘Ergens tussen de klavertjes drie en vijf.’
‘Ik hoor het al wel weer: je neemt mij niet serieus.’
‘Nee, vind je het gek? Op zoek naar HET klavertje vier. Wat is daar zo bijzonder aan dan?’’
‘Dat weet ik ook niet, schat. Dat wil ik nou juist ontdekken. Vandaar mijn zoektocht.’

Bart

De blik

De blik

‘Volgens mij heeft zij een nieuwe woning’, zei ik tegen buuf Agnes, wijzend naar een dame die op haar fiets net voorbij kwam rijden. Agnes stond bij mij op de oprit om uit te leggen dat ze haar relatie had opgezegd.

‘Wie is dat dan?’
‘Geen idee.’
‘Hoe weet je dan dat ze een nieuwe woning heeft?’
‘Ik zag de blik in haar ogen.’

‘Goh Bart, cursus gehad?’
‘Cursus?’
‘Ja, “ontdek de blik in de ogen van je medemens”.’
‘Heb ik niet nodig. Ik ben een natuurtalent.’

‘O? En waaruit blijkt dat?’
‘Kijk Agnes, toen jij net hier naartoe kwam lopen zag ik aan je ogen dat je je relatie hebt opgezegd.’
‘Jaja, zo kan ik het ook. Zwamneus!’

‘Ha die Truus’, riep Agnes toen mijn eega de voordeur uit kwam lopen.’
‘Wat ga je doen?’, vroeg ik.
‘Kijk even in haar ogen’, adviseerde Agnes. 
‘In mijn ogen kijken? Dat heeft hij al veertig jaar niet meer gedaan. Hoezo?’

‘O, Bart vertelde net dat hij aan de ogen van een net voorbij gereden dame kon zien dat ze een andere woning heeft.’ 
‘Jaja, mijn schoenzolen. Die dame die voorbij reed is Willemien van Braak. Ze is net gescheiden en heeft een andere woning. Ze heeft Bart gisteren gevraagd of hij wil helpen behangen.’

Bart

Vakantie

Vakantie

‘Goh, gaan jullie alwéér op vakantie?’, vroeg Karin Krul, buurtroddelaarster, toen ze langs onze oprit liep en mij bij onze caravan zag staan. Ik probeerde nog te ontsnappen maar helaas. Nét te laat.

‘Op vakantie? Nee hoor, niks vakantie.’
‘O? is de caravan dan stuk of zo? Of moet hij een beurt?’
‘Een beurt? Omdat hij op de oprit staat? Jij staat toch ook wel eens op een oprit?’

‘Gaan jullie nog weg dan?’
‘Zou zomaar kunnen’, deed ik defensief. Ik ken haar. 
‘Dus het is niet zeker?’, zeurde ze door.
‘Zeker, ach wat is zeker. Tegenwoordig is niks meer zeker.’
‘Je doet vervelend, Bart.’

‘Weet ja Karin, we houden het liever voor onszelf’, zei ik op zachte toon.
‘Gaan jullie soms naar een nudistencamping? Kun je rustig vertellen hoor. Mijn lippen zitten op slot.’ Ze ondersteunde het met een horizontaal beweginkje langs haar mond. 

‘Oké dan’, zuchtte ik. ‘We gaan op trainingskamp.’
‘Trainingskamp?’
‘Ja, een veertien dagen durende cursus.’
‘Wat voor een cursus dan? Of mag ik dat niet vragen?’
‘Jij mag dat vragen, Karin.’

‘Het betreft de training “hoe ontwijk ik lastige en nieuwsgierige buren”. Ik zoek trouwens nog een proefpersoon. Iets voor jou?’

Bart

Bart

Vakantie(2)

Vakantie(2)

‘Hoi Bart mag ik jou iets vragen?’ Voor mij stond de altijd weer ondeugend geklede en strak opgemaakte Carla-van-de-Porsche. 

‘Ha Carla, natuurlijk mag jij iets vragen. Jij wel.’
‘Mooi. Ik hoorde van…’ 
‘Stop!!! Onderbrak ik haar. ‘Stop, stop stop!!!’ 
Ze keek me verbaasd aan.

‘Let op Carla ik weet precies wat je gaat vertellen: je hoorde van ons aller Karin Krul dat wij veertien dagen de cursus “hoe ga je om met lastige buurtgenoten” op de camping gaan volgen. Klopt dat?’
‘Nee, ze vertelde dat jullie twee weken op een nudisten-camping staan. Mag ik misschien dat adres? Ik zoek namelijk ook zoiets!’

‘Is dat zo?’, vroeg ik. ‘Vertelde Krul dat?’
‘Ja, en ze zei dat je dat in vertrouwen had verteld en dat ik er met niemand over mocht praten.’
‘Kun je zien hoe ze roddelt. Wat een draadnagel’, concludeerde ik.

‘Klopt, laatst bazuinde ze ook rond dat buurman Hans Vruggink ‘s nachts bij mij komt shoppen.’
‘Meen je dat? Is toch niet geloven?’, riep ik ontzet.
‘Ja, en het is gewoon uit haar duim getrokken. ‘S Nachts lig ik te slapen. Hans komt gewoon overdags.’

Bart

Vakantie(3)

Vakantie(3)

‘Ha die Bart, nog lekker twee weekjes op pad?’, vroeg mevrouw Boerstoel die bij onze oprit remde en van haar fiets stapte. Ik stond bij de caravan.
‘Ja, nog even lekker weg’, antwoordde ik.

‘Ik was net bij de Super en ik hoorde het al van Karin Krul. Ze zat achter de kassa.’
‘O, kijk. Dan weet u vast ook al waar we naartoe gaan’, suggereerde ik.
‘Nee, daar had ze het niet over. Dat niet.’

‘O? Wat dan wel?’, vroeg ik nieuwsgierig.
‘Ach je kent haar. Ze vroeg zich openlijk af waar jullie het toch allemaal van doen!’
‘Van doen? Hoezo van doen?’
‘Nou ja, ze vroeg zich dat af omdat jullie al zes weken Frankrijk achter de rug hadden, en dan nu nog weer twee weken…’
‘Wat is het toch een akelige roddelaarster’, riep ik nijdig.

‘Nou ja, ze had wel een idee waar jullie het van betalen’, lachte ze.
‘O ja? Had ze een idee?’
‘Ja, volgens haar zit je schoonmoeder ruim in de middelen. Dus…’

‘Dus? Wat dus? Denkt ze nou werkelijk dat mijn “schatrijke” schoonmoeder onze vakantie zou willen financieren?’
‘Dat vroeg ik ook, maar daar had ze wel een goede onderbouwing voor.’

‘Een goede onderbouwing? Krul?’
‘Ja, zo zou je schoonmoeder rust kopen. Is ze twee weken van je verlost.’

Bart



Een strooibus

Een strooibus

‘Een goedemorgen’, wenste ik het meisje achter de toonbank van de Winkel van Sinkel toe. 

‘Ook goedemorgen meneer. Kan ik u ergens mee helpen?’, vroeg ze vriendelijk. Het was nog een jong ding. Een geitje wat net uit de wei was gedarteld en nu voor mij stond en deze oude grijze mopperkont haar hulp aanbood.

‘Jazeker, ik zoek een strooibus.’
‘Een strooibus? We hebben wel een halte van de buurtbus’, zei ze na enig nadenken. ‘Maar die vertrekt pas tegen de middag.’

‘Ik bedoel een strooibus. Een bus waar je mee kunt strooien.’
‘Staat die niet in de winkel?’, vroeg ze.
‘Nee, ik kan hem niet vinden’, antwoordde ik.
‘Ik vraag even aan mijn baas, goed?’
‘Ja hoor.’

Ze verdween om even later weer te verschijnen. 

‘Ik heb het even gevraagd, maar mijn baas zegt dat wij ze niet hebben. Misschien bij de begrafenisondernemer. Die zit op het industrieterrein.’

‘Volgens mijn baas is het ook een ouderwets ding. En dat klopt ook wel’, blaatte ze. 
‘Hoezo klopt dat wel?’, vroeg ik.
‘Nou ja, tegenwoordig is alles digitaal. Dat zal zo’n strooier dan ook wel zijn.’

Bart

Verwarring

Verwarring 

‘Mevrouw Meijer kwam net voorbij gelopen’, vertelde ik tijdens ons tien uur koffiemomentje. Truus keek op. ‘Kan niet.’
‘Oké, opnieuw: Mevrouw Meijer kwam net niet voorbij gelopen.’

‘Bart, de Meijers zitten in Spanje. Ze hebben daar een huisje.’
‘Klopt’, antwoordde ik braaf.
‘Ze hebben dat samen met hun kinderen. Gaan ze om de beurt heen. Leuk hé.’
‘Ja, en nu zijn zij dus aan de beurt en zijn ze volgens jou in Spanje.’

‘Juist Bart. Dus je kan haar niet hebben gezien. Ik denk dat je in de war bent met mevrouw Talsma. Die lijkt sprekend op mevrouw Meijer.’

‘Vast. En die heeft ook een huisje in Spanje’, vulde ik aan. ‘Dat heeft ze samen met haar kinderen. Trouwens, ze gaan om de beurt. En de Talsma’s zijn nu even niet aan de beurt. O ja, voordat ik het vergeet: de heer Talsma heeft in Spanje zijn been gebroken. Daarom is de familie eerder teruggekomen.’

Truus boog zich iets in mijn richting. 

‘Lieve schat, mevrouw Talsma is weduwe, heeft geen kinderen en heeft zeer zeker geen huisje in Spanje. Dus je zwamt echt uit je nek.’

Bart

De verjaardag

De verjaardag

‘Ome Cor zou vandaag honderd zijn geworden’, vertelde Truus tijdens ons tien uur koffiemomentje. Ze hing boven haar tablet en raadpleegde naar ik vermoedde haar agenda. 
‘Moeten we dat herdenken of vieren?’, vroeg ik droogjes. Ik had daar wel een mening over. 

‘Ach ja, ome Cor was nu eenmaal ome Cor, Bart. Soms leuk, soms vervelend’, merkte ze tactisch op.
‘Broer van je moeder’, mompelde ik.
‘Wat wil je daarmee zeggen?’ Ik hoorde iets van irritatie in haar stem.
‘Zoals jij het zegt. Soms leuk, soms vervelend.’

‘Ome Cor?’
‘Ook.’
‘Wat ook?’
‘Je moeder is een zus van Cor.’
‘Dus mijn moeder is soms leuk en soms vervelend.’

‘Lieve schat, ik heb jouw ome Cor niet gekend.  Echter, ik ken je moeder wel. En als jij dan zegt dat hij “soms leuk en soms vervelend” was, dan heb ik geen telraapje nodig.’
‘Telraampje? Wat zwam je toch allemaal?’
‘Nou ja, één plus één is en blijft zelfs na honderd jaar twee.’

Bart


Privacy

Privacy 

‘Mogguh’, riep ik opgewekt toen ik de Super binnenliep. Het was maandag, dus ik wist zeker dat zij er niet was. De “zij” betrof Karin Krul, buurtroddelaarster, die alleen op dinsdag, donderdag en zaterdag achter de kassa zat. Dus kon ik deze maandag op mijn gemak het door Truus opgestelde lijstje afwerken.

‘U bent toch meneer Bart?’, vroeg een medewerkster die achter mij aanliep, inhaalde en toen deze vraag op mij afvuurde.
‘Jazeker, vanwaar deze vraag?’
‘O, een collega van mij zag u met een boodschappentas langs haar huis lopen en belde net.’

‘Wacht even: iemand zag mij lopen en belde u?’
‘Ja, beetje vreemd natuurlijk, maar ze bedoelt het goed.’
‘Dit is toch een rechtstreekse aantasting van mijn privacy. Toegegeven, ik ben een BS’er maar daarom hoef ik nog niet in de gehouden te worden?’

‘Een BS’er?’, vroeg ze. 
‘Ja, Bekende Straatgenoot. Bel die Karin Krul maar terug en zeg dat ik hier niet van gediend ben!’ 
Ik voelde een enorme boosheid opkomen.
‘O, maar Karin Krul belde niet’, vertelde ze. 
‘Niet?’
‘Nee, Annelies Theunissen van het vlees belde. Ik moest u zeggen dat Karin vandaag niet werkt en dat u dus op uw gemak en ongestoord boodschappen kunt doen.’

Bart


De schat

De schat

‘En, wilden ze nog een beetje bijten?’, vroeg ik aan een man die gewapend met een metaaldetector uit het tegenover ons gelegen weiland kwam tijgeren.

‘Wat zegt u?’, vroeg hij terwijl hij zijn oorwarmers half op zijn hoofd zette. 
Ik herhaalde mijn vraag.

‘Ik was niet vissen!’, riep hij terwijl hij op zijn apparaat wees. ‘Ik zoek de bodem af.’
‘Dus toch vissen’, lachte ik. ‘Maar, behalve roestige spijkers nog iets interessants gevonden?’
‘Nee, ligt niet veel.’

‘Toch kun je hier nog een schat vinden’, zei ik.
‘Een schat?’, herhaalde hij.
‘Ja, niet verder vertellen, maar het moet hier ergens zijn.’
‘Op het weiland?’
‘Geen idee. Gewoon goed zoeken.’

Hij keek eerst naar mij, toen naar het apparaat, daarna naar de wei, keek kort op zijn horloge en liep vervolgens terug het veld in.’

‘Wat ik nu toch zie’, riep Truus die avond vanuit de keuken.
‘Wat zie jij dan?’
‘Het licht van zo’n mijnlamp. Iemand loopt ermee op zijn hoofd door de wei. Kom eens kijken?’

‘O, dat is die schatzoeker.’
‘Schatzoeker? Een schat hier in de wei? Er ligt toch geen schat?’
‘Klopt, die gaat hij ook vast niet vinden. Die staat hier namelijk naast mijn in de keuken.’

Bart




Nagels

Nagels

‘Bart, er zitten steeds gaten in je sokken, kijk eens kritisch naar je nagels.’ Tot mij sprak mijn echtgenote, Truus. De klok stond op vijf over tien en voor mij op tafel stond koffie. 
‘Wat zou er mis kunnen zijn met mijn nagels?’, vroeg ik.
‘Ze zijn te lang.’
‘Wat is “te lang”?’
‘Moet ik hier serieus op ingaan, Bart?’
‘Nou ja, jij stelt dat ze te lang zijn. Dus vraag ik wat “te lang” is.’
‘Te lang wil zeggen dat je sokken stuk gaan.’
‘Hoe zeker weet je dat het door de lengte van mijn nagels komt?’
‘Omdat ze uitsteken! Het zijn net kleine scheermesjes. Ze snijden door je sokken.’
‘Ik denk meer dat het in de kwaliteit van de sokken zit. Waar heb je deze gekocht?’
‘Bij de slager. Man, doe niet zo moeilijk. Knip die dingen en het is opgelost.’
‘Ik twijfel nog een beetje, Truus. Je hebt mij nog niet volledig overtuigd. Zitten die gaten in al mijn sokken? Of alleen in de zwarte.’
‘Alleen in de zwarte. En dat is ook logisch, je hebt geen andere.’

Bart

Antiek

Antiek

‘Zo, het schilderij hangt, Ma’, meldde ik vanuit de slaapkamer van mijn schoonmoeder. Ik was daar vanwege het ophangen van een bij de kringloop aangeschaft schilderij waarvan schoonmoeder verwachtte dat ze een middeleeuwse meesterwerk had gekocht.

Ze kwam samen met Truus de slaapkamer in.
‘Zit hij goed vast?’, vroeg ze terwijl ze het schilderij van de aangebrachte haak tilde.
‘Wat doe je nou?’, vroeg ik.
‘Controleren of de haak stevig genoeg is. Ik ken jou.’
‘Mam, Bart kan echt wel een schroef in de muur boren hoor!’, riep Truus ter verdediging.

‘Jaja. Wat kost die haak?’
‘O, met plug een paar Euro.’
‘Oké, verreken maar met de eieren die ik vorige week voor jullie heb gehaald en nog niet zijn betaald. Koffie?’

Ik keek Truus veelbetekenend aan en samen togen wij naar de huiskamer en namen plaats aan tafel.

‘Het is zo leuk bij de kringloop!’, riep ze vanuit de keuken. ‘Echt waardevolle spullen.’
‘O, kijk, zie ik het nou goed? Heb je ook die porseleinen kip bij de kring gescoord die je tussen de plant hebt gezet?’, vroeg Truus.

‘Welke? O die. Ja, ook zo leuk. Een topstuk.’
‘Sorry Ma, je schiet wel een beetje door.’
‘Ja Ma, je begint wel echt oud te worden hoor met al die antieke ideeën’, lachte ik.

‘Ik oud vanwege die kip? Nou Bartje, dan moet jij thuis haast wel een complete kippenren tussen de planten hebben staan.’

Bart

Oren

Oren

‘Je moet eens iets aan je oren laten doen!’, riep Truus tijdens een discussie over iets wat ik wel of niet gehoord zou hebben. Ze was nijdig.

‘Ik geef toe dat het lelletje van mijn linkeroor iets afwijkt ten opzichte van mijn rechter, maar verder mankeert er niets aan.’
‘Bart, iedere keer als ik iets zeg, vraag je wat ik heb gezegd.’
‘Dat komt omdat je onduidelijk praat. Ik versta verder iedereen behalve jou.’
‘O ja, nou ligt het aan mij. Dat dacht ik toch niet.’

‘Schat, je mompelt een beetje. Dat geeft niet hoor, dat krijg je als je op zekere leeftijd komt. Dat heeft iedereen. Maar als je daar zelf last van krijgt, kunnen ze er wel wat aan doen hoor. Hogen ze je kaken een beetje op. Dan wordt de mondholte wat groter. Klinkt het geluid beter.’

‘Ben je klaar?’, vroeg ze. 
‘Wat zeg je?’
‘Of je klaar bent.’

‘Kijk, dat was weer zo’n dingetje. Klonk heel dof. Kan ik dan niks van maken.’

‘Wat doe je nou?’, vroeg ik toen ze opstond, op mij toe kwam lopen en enorm hard aan mijn  linkeroorlel trok.
‘Ik heb even snel je gehoorgang groter gemaakt. Dan hoor je beter. Of moet ik het soms nog even herhalen?’

Bart


De gok

De gok

‘Ik ben vanmiddag op de thee bij Sofie’, kondigde Truus tijdens ons tien uur koffiemomentje aan.

‘Die van de Mezenlaan?’, vroeg ik al slurpend.
‘Nee, ze woont aan de Markt. Hoezo Mezenlaan?’
‘O, het was een gokje. Er woont vast wel een Sofie aan de Mezenlaan. Maar de Markt is ook goed hoor.’

‘Wat heb jij met de Mezenlaan?’, vroeg ze.
‘Ik? Niks! Ik heb niks met de Mezenlaan. Het was maar zo een gok’, herhaalde ik met enige nadruk.
‘Raar. Echt raar. Er moet een reden zijn dat jij de Mezenlaan noemt.’
‘Omdat ik het idee had dat er vast wel een Sofie aan de Mezenlaan zou wonen. Gok. Snap je nu?’

Ze slaakte een diepe zucht.

‘Ik ken je nu ruim een halve eeuw, Bart. Maar ik sta toch iedere keer weer verbaasd.’
‘Dat houdt het spannend, schat’, lachte ik.
‘Jaja, de Mezenlaan. Waarom roept mijn man iets over een Sofie aan de Mezenlaan. Heel bijzonder.’

‘Schat, luister, ik heb nog overwogen om deze Sofie te koppelen aan een woning aan de Oranjestraat maar heb daar toch van afgezien.’
‘En deze Bart’, ze wees naar mij, ‘Hij zwamt maar door en door en door… En waarom dan niet de Oranjestraat?’

‘Omdat er nooit een Sofie aan de Oranjestraat kan wonen. De Oranjestraat bestaat namelijk niet.’

Bart


Een mankement

Een mankement 

‘Bart, ik denk dat we aan een nieuwe stofzuiger toe zijn’, riep Truus vanuit de keuken. Ze klonk behoorlijk paniekerig, dus stond ik op om vervolgens het getroffen gebied te betreden.

‘Wat is er aan de hand?’
‘Hij doet het niet goed meer’, riep ze terwijl ze de voetschakelaar een stevige trap gaf. Hoestend en stotend kwam hij enigszins tot leven.
‘Hoor dan! Dit klinkt toch niet goed?’

Ik moest toegeven dat hij anders klonk dan normaal.

‘Truus, leg mij even uit wat je precies hebt gedaan. En begin bij het begin. Je haalde hem uit de kast en toen?’
‘Bart, moet ik nu de hele levensloop van de stofzuiger met jou bespreken?’ Ze stond met beide handen in haar zij. Dan is het altijd oppassen.

‘Nou ja, ik wil analyseren wat de oorzaak kan zijn.’
‘Die geef ik jou gratis en voor niks: hij is dertig jaar oud, de slang hangt met plakband aan elkaar, het snoer rolt niet meer op, het filter is aan zijn eind. Kortom: hij is naar de kl..’

‘Ho meisje, rustig aan. Laat deze techneut eerst maar eens onder de motorkap kijken.’
‘Jaja, onze techneut.’ Ik zag haar hoofdschuddend weglopen.

‘En, is onze techneut klaar met de analyse?’,vroeg ze toen ze mij achter de tablet zag zitten. ‘Of ben je een nieuwe aan het bestellen. In dat geval wil ik wel wat inspraak.’
‘Nee schat, ik ben het nummer van de storingslijn van de netwerkbeheerder aan het zoeken.’

‘Voor een nieuwe stofzuiger?’
‘Nee, voor een monteur. De hele straat zit plotseling zonder stroom.’

Bart





De fruitschaal

De fruitschaal

‘Waar kijk je naar?’, vroeg Truus tijdens ons tien uur koffiemomentje toen het opviel dat ik al vijf seconden mijn mond hield en bewegingsloos naar iets op tafel staarde.
‘O, ik kijk naar de fruitschaal en moet aan mijn moeder denken. Ze was altijd zo blij met die schaal.’

‘Bart, die schaal heeft net zo weinig met je moeder te maken als een ooievaar met bevallingen. Hij was van mijn Oma. Die van je moeder is jaren geleden gesneuveld.’

‘Schat, deze stond al bij mijn moeder op tafel toen jij nog op de tekentafel lag. Ik heb vast nog wel een foto uit die tijd.’
‘Kan niet. Deze was van mijn Oma. Hij is echt antiek!’
‘Ja, je Oma ook.’

‘Soms vraag ik mij wel eens af hoe je het verzint.’
‘Verzint? Man het is toch zonneklaar? Deze schaal was van mijn Oma!’ 
‘Het fruit wat er op ligt zeker ook! Die appel heeft een rimpel van ouderdom.’
‘Heb je je eigen hoofd al eens bekeken?’

‘Truus, je lijkt soms net je moeder. Die heeft het geheugen van een makreel.’
‘Van een makreel?’
‘Ja, wat dat betreft valt de appel niet ver van de boom.’

‘Dat klopt, en hij valt precies in de fruitschaal van mijn Oma. En die staat hier voor je op tafel.’

Bart

Toneel

Toneel

‘Goh Bart, druk?’, vroeg een voorbijganger die in de buurt wordt aangeduid als “niet-zo-snugger”. Ik was op de oprit bezig met het poetsen van de fiets van Truus. 

‘Mogguh, ja onderhoud hè.’
‘Jouw fiets?’
‘Nee, van Truus.’
‘Kan ze dat zelf niet?’
‘Nee.’

‘O. En nu moet jij het opknappen?’
‘Ja, dat moet ik.’
‘Ze boft maar met zo’n vent’, vond hij.
‘Ze boft zeker. En niet alleen vanwege fietspoetsen.’
‘Niet?’
‘Nee, ik beschik over heel veel kwaliteiten.’
‘Zoals?’
‘Toneelspelen.’

‘O? Ben jij van de toneelclub hier uit het dorp?’
‘Nee joh, dat is ver beneden mijn niveau.’
‘Wat dan?’
‘Ik doe one-man stukjes.’
‘Solo?’
‘Ja, dat zeg ik toch?’
‘O, leuk.’

‘En dat doe je voor publiek?’
‘Ja.’
‘Waar dan?’
‘Hier op de oprit.’
‘En wat is dan het onderwerp?’
‘Fiets poetsen van Truus.’

Bart


Een ontdekking

Een ontdekking 

‘Zo, heb je dat gelezen? Van dat schilderij? Wat ze hebben ontdekt?’
Truus hing met haar neus boven haar tablet. Ze las de krant. Dat is dan ook het moment dat ik mijn tablet-met-krant aan de kant leg want van enige concentratie van mijn zijde kan dan geen sprake meer zijn: elk voor haar interessant artikel wordt met mij gedeeld. Hardop.

‘Vertel’, riep ik met een zucht.

‘Ze hebben waarschijnlijk een Rembrandt ontdekt. Bij de kringloop. Die man heeft hem daar voor tien euro gekocht. Hoe is het mogelijk!’

‘Hoe heet het schilderij’, vroeg ik. ‘Dame met de satisfyer?’
‘Doe normaal Bart. Het is echt een ontdekking die veel geld waard is.’
‘Wat is veel?’, vroeg ik.
‘Vele miljoenen.’
‘Mooi! Zal hij blij mee zijn!’

‘Trouwens, hij overweegt hem voor een ton over te doen aan het Rijksmuseum. Voor een ton! Snap je dat nou?’
‘Hoezo?’
‘Dat is toch veel te weinig?’

‘Hoezo is dat te weinig? Is toch een mooi bedrag? Als we een ton voor je moeder kunnen beuren, zit ze vanavond nog in het openluchtmuseum.’

Bart

Een klusje

Een klusje

‘Kijk Truus, hier is het gebeurd’, meldde ik toen we met de auto langs het buurtcentrum reden.
‘Wat is hier gebeurd dan?’, vroeg ze.
‘Hallo, waar ben ik vanochtend geweest?’ 

Had ik weer. Een vergeetachtige vrouw.

‘Ik denk naar het toilet. Tenminste, dat doe je elke ochtend. En dan, ik ben vanmorgen druk geweest. Ik kan ook niet alles in de gaten houden!’
‘En jullie vrouwen gaan er prat op meerdere dingen tegelijk te kunnen.’

‘Vertel, wat is er gebeurd dan?’, vroeg ze.
‘Schat, ik ben bij de vampier geweest. Of zegt je dat ook niks.’
‘Vampier?’
‘Ja, bloed wezen prikken!’
‘O? Is dat zo bijzonder dan? Je doet net of je een zware ingreep hebt ondergaan.’
‘Nou ja, zo voelde het wel. Ze zat met een pook in mijn arm te poeren. Weet je hoe zeer dat doet?’

‘Man, stel je niet zo aan. Een prikje in je arm. Ik heb twee kinderen gebaard. Over pijn gesproken.’
‘Dat zal, Truus. Maar dit was zeker geen pretje.’

Ze schudde haar hoofd. ‘Aansteller.’

‘Hoe dan ook: volgende week moet ik terugkomen. Op woensdag.’
‘Gaan ze dan weer tappen!’, vroeg ze.
‘Nee, dan halen ze de hechtingen eruit.’

Bart

Nieuwe vriend

Nieuwe vriend

‘Betsie heeft een nieuwe vriend’, vertelde Truus tijdens ons tien uur koffiemomentje.
‘Nieuwe? Wat was er mis met de oude?’, vroeg ik.
‘Oude? Je bedoelt Anton?’
‘Heette hij Anton?’
‘Ja. Die is er vandoor. Met Lucy. Dat is, eh.. was haar vriendin.’
‘Die Anton was toch eerst een Frits?’
‘Nee, die was ver vóór Anton. Daar zat ook nog een Paul tussen.’
‘En waar is die dan gebleven?’
‘Wie? Frits of Paul?’
‘Laten we eens beginnen bij Paul. Wat is er met hem gebeurd?’
‘Paul is terug naar zijn vrouw. Dat is een nicht van Betsie.’
‘En Frits?’
‘Frits bleek naast Betsie ook nog een vriendin te hebben. Trudy, en die was zwanger.’
‘Van Frits?’
‘Nee van Jacob. Dat is weer een collega van Betsie.’
‘En wat was er met Jacob aan de hand?’
‘Jacob? Hoe bedoel je?’
‘Dat was toch de vader van het kind van Trudy?’
‘O, die is gillend weggelopen.’
‘Waarheen?’
‘Naar Betsie. Dat zei ik toch? Betsie heeft een nieuwe vriend. Je moet wel opletten als ik iets vertel!’

Bart

de “R”

De “R”

‘De “R” is weer in de maand, dus heb ik fruit gehaald’, meldde Truus tijdens ons tien uur koffiemomentje. 

‘Fruit, beginnend met een “R”. Rananen, rappels of reren? Zeg het maar, schatje.’ 
‘Doe niet altijd zo “Bart”. Je moet fruit eten. Is goed voor je!’

Ik vond dat ik moest zuchten. 

‘Jij eet te weinig fruit. Dat is niet goed. Je hebt je vitamine hard nodig. Je wordt een dagje ouder, je botten brozer, minder beweging.. Dus is fruit enorm belangrijk!’
‘Ja Mams’, lachte ik.

‘Bart, even serieus. En dan, ik ben je moeder niet!’
‘Nou ja, mijn moeder zorgde altijd goed voor mijn gezondheid.’
‘O, ik niet?’
‘Je bent mijn moeder toch niet!’

‘Nee, en daar mag je blij om zijn.’ 
‘Blij om zijn? Hoezo blij?’
‘Anders had er nu een enorme fles olifantenlevertraan in de fruitschaal gelegen.’

Bart

Een goed doel

Een goed doel

‘Agnes heeft een koelkast te koop, misschien iets voor ons?’, vroeg Truus tijdens ons tien uur koffiemomentje.
‘Koelkast? We hebben toch een koelkast?’ 
Pffft. Weer zo’n onzinnig voorstel.

‘Ja, maar ik wil er één voor in de garage. Twintig euro. Mogen we overmaken naar een goed doel.’
‘Truus, wat moet ik in Godsnaam met een koelkast in de garage? De motor staat er in, de fietsen, troep van je moeder, en nogmaals, wat moeten we ermee?’

‘Nou ja, ik ben dat geklaag over je lauwe biertjes ook wel een keertje zat. Heb je een eigen koelkast. En dan ook nog in je hobbyhok.’

‘Ik drink amper bier en onze keukenkoelkast is koud genoeg.’
‘Dan wil ik ook geen geklaag meer horen!’
‘Ik klaag nooit! Behalve als ik, net zoals nu, word geconfronteerd met onzinnige voorstellen van mijn echtgenote.’

‘Oké, wil jij Agnes dan even uit gaan leggen dat je afziet van de koelkast?’
‘Hoezo? Jij hebt haar toch gesproken?’
‘Klopt, maar nu gaat ze dankzij jou, onze bijdrage voor het goede doel missen.’
‘Goed doel? Wat voor een goed doel?’

‘Etentje met haar collega’s van de gemeente.’

Bart

De APK

Ik moest naar de garage. Nou ja, garage: in het kader van de jaarlijkse "APK" mocht ik mij melden bij de dependance van de huisartsenpost. Waarom het APK heet is mij niet duidelijk want toen ik mij bij het loketje meldde hoefde ik mijn autopapieren niet te laten zien. Rijbewijs was voldoende.

‘Hoe voelt u zich?’, vroeg de monteuse-van-dienst terwijl ze mij van bureaublad-afstand aan een nader onderzoek onderwierp.

Ik gooide al mijn kwalen op alfabetische volgorde op de desk waarna ze via de muis in de computer verdwenen. Vervolgens werden mijn bloed en plas nog onderwerp van bespreking waarna ze op de totaalknop duwde en tot de conclusie kwam dat ik vooral op de ingeslagen weg door moest gaan. 

Omdat ik niet precies wist welke weg dat dan zou moeten zijn, kwam ze niet veel verder dan dat ik gewoon op dezelfde voet door kon leven. Maar dat was ik zelf ook al van plan.

Toen ik bij thuiskomst rapport uitbracht bij Truus hebben we samen nog wat gepuzzeld met de letters APK. 
We zijn eruit: Administratieve Patiënten Komedie.

Bart

Een ziel

Een ziel

Hé Rut, wat loop jij met je ziel te sleuren!’, riep ik tegen een voorbij slenterende straatgenoot die ooit de naam Rutger toegewezen had gekregen. Aardige vent, dat dan weer wel.

‘Hoi Bart, kun je het zien dan?’, vroeg hij.
‘Ja, je rechterarm staat wat vreemd ten opzichte van de linker.’

Hij inspecteerde zijn beide armen.

 ‘Hoezo vreemd?’
‘Alsof er iets onder je rechterarm zit. Maar dat moet vast je ziel zijn die je in de weg zit.’

‘Ach ja, Rosien heeft weer zo’n bui. Je  kent het wel. Jij bent toch ook getrouwd?'
‘Bui? Doet ze vervelend?’

‘Ja joh. Ze loopt de hele dag te zeuren dat ik in de weg loop. Kun je je voorstellen? Ik zit de hele dag op de bank voor de TV. Hoezo in de weg lopen?'

'Misschien wil ze wel dat je wat gaat doen ofzo', suggereerde ik. 
'Dat klopt, Bart. Daarom loop ik hier.'

Bart



Een klusje

Een klusje

‘Waar ben jij dan geweest? Ik heb je overal gezocht!’, vroeg Truus toen ik via de garagedeur binnen kwam lopen.

‘O, was jij het die een Amber-alert de wereld instuurde?’, lachte ik als reactie.
‘Bart, als je weggaat, zeg het dan even. Ik was hartstikke ongerust.’
‘Dat is een goed teken.’
‘Hoezo een goed teken!’
‘Nou ja, blijkt dat ik onmisbaar ben binnen dit gezin.’

‘Eikel! Waar was je?’
‘O, ik was even bij die man uit Syrië. Die woont hierachter. Naast die vioolkist.’
‘Vioolkist?’
‘Ja, die draadnagel die elke zondagochtend het psalmenboek van voor naar achter doorvioolt. Vreselijke vent!’

‘Wat moest je bij die Syrische man?’
‘Ach, ik stond op de oprit te vegen toen hij op mij af kwam lopen. Hij had een waterpas nodig voor het recht ophangen van zijn schoonmoeder. Hij had waarschijnlijk van iemand gehoord dat ik ook een schoonmoeder heb die scheef…’

‘Man, hou toch eens op met die flauwe grappen!’, onderbrak ze me. ‘Waarvoor had hij hem nodig?’
‘Hij moest een kastje ophangen. En toen ben ik meteen maar even meegelopen om hem te helpen. Hij heet trouwens Amir. Leuke vent!’

‘Kijk, goed bezig Bartje. Was zijn echtgenote ook thuis?’
‘Ja, die stond in de keuken. Ook heel aardig.’
‘Mooi, spreekt hij wel een beetje Nederlands?’
‘O ja hoor, klein beetje. En ik nu ook een beetje Syrisch. Makkelijke taal. Je haalt er veel Nederlandse woorden uit.’
‘Jaja, Nederlandse woorden. Droom lekker verder!’

‘Nou ja schat, weet je hoe een waterpas op zijn Syrisch heet?’
‘Geen idee Bart. Zal wel iets bijzonders zijn.’
‘Nee hoor, echt niet. Ze noemen het een rechtkijkding. En ik snapte meteen wat Amir hiermee bedoelde.’

Bart

Dinertje

Dinertje

'Zullen we dan voor het complete menu gaan?', stelde Truus voor. We zaten gezellig met zijn tweeën in een restaurant onze jaarlijkse herdenking van de trouwdag af te werken. Truus hecht daar altijd veel waarde aan. 'Traditie!', roept ze dan enthousiast. Ik nurrie altijd maar wat mee. 

'Kost dat?', vroeg ik.
'Veertig per persoon. Valt mee toch?'
Ik bestudeerde de kaart en kwam er al snel achter dat één van de ingrediënten vis zou zijn. Als ras- Hagenees ben ik niet van de vis. Ik heb teveel gezien. 

'Ik wil geen vis', riep ik.
'Dan geen menu', klonk de conclusie vanaf de overkant.'
'Kunnen wel even vragen of je ook iets van vlees kan krijgen.'

'De serveerster van dienst, die inmiddels drie keer was wezen vragen of we al hadden kunnen kiezen, vond het bijzonder spijtig. Het kon niet. Dus toen maar weer met de neus terug in de kaart.

'Dan ga ik voor de tournedos en de carpaccio', koos Truus. Om het niet al te ingewikkeld te maken koos ik maar voor hetzelfde.

'Bent u er nu uit?', vroeg de serveerster met een overdreven diepe zucht.
'Ja, graag twee keer nummer zeventien en twee keer nummer zesenveertig', lachte ik in de hoop iets van tevredenheid terug te krijgen.

'Wat bedoelt u met die nummers?', vroeg ze nors.
'Hallo, staan achter het gerecht', riep ik eveneens nors.
'Dat is geen gerecht meneer, maar de prijs.'

Bart

Vissen

Vissen

‘Agnes is dit weekend weg’, meldde Truus tijdens ons tien uur koffiemomentje. 
‘Ik zal het je moeder zeggen als ik straks boven kom.’
‘Slaat dat nou weer op?’
‘Hoeft ze geen kleefpasta onder haar gebit te spuiten.’
‘Bart, het gaat over buuf Agnes. Niet over mijn moeder. Wat zwam je toch!’
‘Schatje, altijd als Agnes het weekend thuis is en haar vriendje ‘s nachts komt vissen, dan rammelt op onze slaapkamer het fotolijstje met je moeder van de muur.’ 
Ze keek me aan. 
‘Wat ben jij toch een ongelofelijke kletskous.’
‘Dank je. Was jij niet degene die er laatst over begon?’, vroeg ik.
‘Waar over begon?’
‘Ja, over mijn sokken! Waar hebben we het nou over?’
‘Ben ik over Agnes begonnen?’
‘Ja, dat ze vaak een ander vriendje heeft.’
‘Daar had jij het over. Dat ze meer vriendjes heeft als dat er klinknagels in de Rijnbrug zijn geslagen.’
‘Zei ik dat?’
‘Ja, jij Bart. Dus hou alsjeblieft op met je vingerwijzing.’
‘Truusje, ik heb de klinknagels nooit geteld. Dus hoe kom je erbij!’
‘Hou maar op, dit leidt tot niets. En dan, ze heeft momenteel niet eens een vriendje!’
‘Dat zal, maar ze heeft wel een visvergunning. Dus je weet nooit wanneer ze beet heeft en er weer één aan de haak slaat.’

Bart

Een knal

Een knal

‘Hoi Bart, weer lekker aan het buitenspelen?’, vroeg buuf Annie van der Heuvel in het voorbijgaan aan onze oprit. Ik stond net de bezemsteel op doorbuigen te testen.

‘Ja, het is lekker weer, dus waarom niet.’
‘Mijn Joop gaat straks ook vegen.’
‘Heeft hij nog aanwijzingen nodig?’, vroeg ik.
‘Aanwijzingen? Waarvoor?’
‘Nou ja, ik heb ervaring met vegen. Voor hem is het zo te zien de eerste keer.’

‘Hoezo “zo te zien”?’
‘Nou ja Annie, laten we eerlijk zijn, er is geen tegel meer zichtbaar.’
‘Vervelende vent’, schold ze.

‘Trouwens, heb jij vannacht die knal nog gehoord?’
‘Nee, ik lag onder het dekbed. Dat dempt enorm.’
‘Onder het dekbed? Zo koud is het toch nog niet?’
‘Nee, maar zo had ik tenminste geen last van die knal.’

Bart

Laatste woord

Laatste woord

Ik stond, zoals wel vaker, net de schoonheid van onze oprit-straatkeien te bewonderen toen ze stopte. 

Moggûh Bart. Ik had het gisteren nog met Annie over jou: jij kunt altijd zo raar doen. Zo, hoe zal ik het zeggen, je hebt altijd een antwoord paraat. Het laatste woord is altijd van jou. Raar dus.’

Voor mij stond het orakel van de straat: Toos Harmsen. Een dametje met pit die in mijn beleving wekelijks een gang naar de kapper maakt. Niet voor de krullen maar om met een zeis de haren van haar tanden te laten maaien.

‘En dat irriteert of zo?’, vroeg ik. Ik was op mijn hoede want een gesprekje met deze dame was toch wel even wat anders dan kwebbelen met Annie van der Heuvel.

‘Nou ja, het lukt jou altijd weer om iemand verbaal de pas af te snijden. Annie, mevrouw Meijer, mevrouw Boerstoel, die mevrouw van de Porsche, je schoonmoeder, mevrouw Krul.. En ik denk dat jouw Truus ook nog wel eens op haar hoofd krabt.’
‘Mijn Truus krabt niet zelf, dat doe ik altijd.’
‘Kijk, dit bedoel ik nou. Weer het laatste woord.’  

‘Ja, en wat moet ik nou met deze opmerking?’, vroeg ik streng. ‘Elk vogeltje zingt zoals het gebekt is en binnen dat kader ben ik een kraai.’

‘Heb je hiervoor een cursus gevolgd of zo?’, vroeg ze.
‘Hoezo, wil je nog wat bijleren? Volgens mij ben je zelf ook behoorlijk van de tongriem gesneden.’
‘Nou, ik kan nog wel wat tips gebruiken. Mijn schoonmoeder begint de laatste tijd ook heel vervelend te worden.’

Bart


Het vaandel

Het vaandel 

‘De tomaten zijn op, wil jij straks even naar de Super lopen?’, vroeg Truus tijdens ons tien uur koffiemomentje.
‘Wat is het vandaag? Woensdag?’, vroeg ik.
‘Gisteren was het dinsdag..’
‘Dan heb je pech. Vandaag zit Karin Krul (buurtroddelaarster) achter de kassa. Dan ga ik niet.’
‘Kom op zeg. Je kunt toch wel even een boodschap doen? Wat is dit?’, hoorde ik haar protesteren.
‘Schat, straks weet de hele straat dat we tomaten hebben gekocht.’
‘Nou èn! Is dat erg dan?’
‘Ja, dat vind ik erg. Dat gaat niemand wat aan. Privacy Truus. Privacy staat bij mij hoog in het vaandel!’
‘Hoe groot is die vaandel van jou eigenlijk?’
‘Wat is dit nou weer voor een vraag!’ Ze kan soms zulke rare vragen stellen.
‘Nou ja, er staat van alles “hoog” in.’
‘Zoals?’ 
‘Je auto, je caravan, je bezem, je oprit, ik misschien?’
‘Jij? Dat weet ik even niet.’
‘O, laat me raden, ik moet mijn plekje natuurlijk eerst nog verdienen. En dat zal dan wel ergens vanavond…’
‘Vanavond??? Nee hoor schat, dan kun je geen tomaten meer halen, zit de winkel dicht.’

Bart

Ontbijtje

Ontbijtje

‘Bart, heb jij nou die laatste banaan opgegeten?’, vroeg de keuken met een indringende nadruk op “JIJ”.

‘Jazeker. Hij keek mij gisteren vanaf de fruitschaal aan met zo’n blik van “als je mij nu niet eet, dan ga ik van nijd overrijp worden”.’
‘Nou fijn dan, ik wilde hem in de yoghurt doen.’

‘In de yoghurt? Daar had deze banaan geen zin in, Truus. Hij zei nog, “alsjeblieft niet in de yoghurt”.’

Er stak nu een enorme mopperstorm op. 
‘Sta ik hier met mijn yoghurt en geen stukje fruit in huis!!’
‘Ik ben fruitig’, deed ik grappig in een poging de storm te laten luwen.Het werd niet gewaardeerd.

‘Is er nog beschuit?’, vroeg ze.
‘Moet je in het magazijn kijken. Stelling twee, plank drie.’
‘Kijk jij even. Ik sta hier met de handen vol.’

‘Waarmee dan?’
‘Ja, met mijn bakje yoghurt.’
‘Ik heb mijn handen ook vol.’
‘Waaraan dan?’, vroeg ze nijdig.
‘Aan jou!’

Bart

Tranen

Tranen

“Ik ga vanmiddag naar Ans’, meldde Truus tijdens ons tien uur koffiemomentje. 

‘Ans? Is dat niet dat Ui?’
‘Ui? Wat nu weer?’
‘Ja, altijd als zij binnen mijn cirkel komt, beginnen mijn ogen spontaan te tranen. En aangezien wrijven het alleen maar erger maakt…’

‘In jouw cirkel?’
‘Ja, dat is mijn virtuele veiligheidszone. Heeft met kusafstand te maken. Als iemand mij probeert te kussen, dan gaan intern alle alarmbellen af en treedt mijn afweersysteem in werking.’
‘En dan gaan je ogen tranen?’
‘Nee, dan draait mijn hoofd richting veilige stand.’

‘Maar bij Ans beginnen ze te tranen?’
‘Ja, dan raakt mijn systeem verstoord.’
‘Ik zal het vanmiddag met haar bespreken.’
‘Wat ga je met haar bespreken?’
‘Nou ja, dat bij haar aanwezigheid jouw systeem verstoord raakt. Dat zeg je net!’
‘Dat hoeft niet, ik heb al een oplossing gevonden.’
‘Ga je je systeem bijstellen?’
‘Nee, een teentje knoflook eten. Dan laat zo’n ui het wel wijselijk uit haar hoofd om binnen mijn circel te komen.’

Bart




De groeten

De groeten

‘Morgen Bart, weet je van wie jij de groeten moet hebben?’
‘Met deze blijkbaar voor haar belangrijke vraag stond buurtgenote Boerstoel op onze oprit. Ik was net bezig met een worsteling om een ontluikende paardenbloem tussen de keien vandaan te sleuren. 

‘Geen idee mevrouw Boerstoel. Ik heb volgens Facebook meer dan duizend vrienden. Tel daarbij op mijn familie, buurtgenoten en mijn schoonmoeder en dan snapt u wel dat het voor mij een enorme puzzel is. Ik zeg dus: Geen idee.’

‘Echt niet?’, vroeg ze ietwat verbaasd.
‘Nee, echt niet. Dat snapt u toch wel?’
‘Nou nee, je moet toch wel enig idee hebben?’
‘Heb ik niet.’
‘Denk dan nog eens goed na!’ 

Ik proefde bij haar iets van een beginnende irritatie.

‘Mevrouw Boerstoel, met alle respect, en met de beste wil van de wereld: ik heb echt geen idee. Dus de vraag aan u: van wie moet ik de groeten hebben.’
Ze haalde haar schouders op. 
‘Hoe moet ik dat weten? Het is toch jouw vriend.’

Bart


Laatste woord

Laatste woord

‘Heb jij de sleutels van de auto gehad?’, hoorde ik Truus met een luide stem vanuit de gang vragen.
‘Wanneer?’, vroeg ik om verduidelijking.
‘Vorig jaar! Wat denk je zelf?’ Ze kwam nu met grote passen de kamer binnen.

‘Ik moet weg!’
‘Ik hou je niet tegen hoor!’, grapte ik.
‘Ik moet met de auto! Waar zijn ze?’
‘Waar je ze voor het laatst hebt gelaten, schat.'

‘Bart, jij bent gisteren met de auto naar mijn moeder geweest. Zitten ze nog in je jaszak?’
‘Geen idee. Moet je even voelen. Jas hangt ergens in de gang!’

‘Ik zie hem niet.’
‘Zwart jack. Aan de kapstok!’
‘Kom dan even helpen, ik moet weg!’
‘En dan met zijn tweeën in mijn jaszak zoeken?’
‘Doe niet zo vervelend! Ik heb om tien uur een afspraak.’

Ik vond dat ik moest zuchten.

'Hier, voel dan!' ze had mijn jas van de kapstok getrokken en gooide hem toe. 
'Wat moet ik voelen?'
'Ze zitten er niet in.'
'Waarom moet ik voelen dan?'

Ik keek naar het mandje op het kastje. 
'Wat kijk je nou?'
'Ze liggen gewoon op hun plek.'
‘Waar dan?’
‘Ik zie ze zo liggen, onder een handschoen.’

Ze graaide ze uit het mandje.

‘Waarom ruim je je handschoenen niet op? Ik zoek me rot!’
‘Ik? Volgens mij zijn die handschoenen van jou, schat.’
‘Dat zal, maar dan heb jij ze er opgelegd.’

Bart

Jarig

Jarig

‘Bart, mocht je haar nog zien, vergeet haar dan niet te feliciteren. Ze is jarig vandaag’, waarschuwde Truus mij tijdens ons tien uur koffiemomentje.

‘Over wie hebben we het?’, wilde ik weten.
‘Onze Buuf. Agnes.’
‘O, is ze weer jarig?’
‘Ja, zoals elk jaar. En ze geeft zaterdag een feestje. Of wij ook komen.’

‘Wij? Tussen al die jongelui? Ik weet niet of ik daar zin in heb, Truus.’
‘Dan maak je maar zin. Is toch leuk! Blijf je jong bij!’

‘Lief dat je zegt dat ik nog jong ben. Maar vertel dat vooral ook tegen die verwend-generatie.’
‘Verwend-generatie?’
‘Ja, die denken dat de geldbomen tot in de hemel groeien.’

‘Waarom zou ik?’
‘Omdat ik al snel als “de Opa van Agnes” word weggezet.’
‘Jij? Als Opa van Agnes? Dat zou je willen! De Opa van Agnes is miljonair.’

‘Dat bedoel ik dus. Dat ik straks dat hele zootje om mijn nek heb hangen in de hoop dat Opa nog wat schuift.’

Bart

Afspraken

Afspraken 

‘Morgen Annie, jij bent al vroeg uit de veren’, merkte ik op toen ze aan onze oprit voorbij liep. Ik stond net buiten te vegen. 

'Nou Bart, jij kunt er ook wat van. Het is amper negen uur.'
'Kun je nagaan hoe vroeg je bent, Annie. Hoe gaat het trouwens met Joop?'
'O, die ligt nog plat. Ik denk dat hij met het afhechten bezig is. Ik moet trouwens opschieten, want anders is hij al beneden.'

'En dan? Is dat erg?', vroeg ik.
'Nou ja, zijn ontbijtje, zijn theetje, zijn krantje... Moet allemaal wel geregeld worden.'

'Kan hij dat zelf niet?'
'Vast wel, maar we hebben dat met ons trouwen zo afgesproken. En Joop is heel erg van de afspraak. Dus...'

'Liggen die afspraken vast? Op papier?'
'Hoezo wil je dat weten?'
'Dan wil ik graag een kopietje. Ik ben namelijk ooit ook getrouwd, maar compleet vergeten dit soort afspraken vast te leggen.'

Bart

Treingesprek

Treingesprek.

‘Ik hoorde het van Jan!’, vertelde ze. De ‘ze’ zat tegenover mij en naast een dame waarvan ik het idee kreeg dat ze iets van een vriendin was. Van haar dan. Die het over de Jan had.
O ja, ik zat in een trein. De trein van A naar B.

‘Klopt, ik heb het ook gehoord. Had ik niet verwacht.’ 
‘Nee, ik ook niet. Maar het is eigenlijk hetzelfde liedje als bij mijn zus.’
‘Ja, dat zou je bijna zo zeggen. Alleen was jouw zus niet zo.. hoe zal ik het zeggen..’
‘Van slag’, hoorde ik haar aanvullen.

‘Nou ja, van slag… Zij kan ook wel emotioneel reageren.’
‘Ja, dat geloof ik ook wel.’
‘Maar goed, Arnold zat er toen wel mee.’
‘Ja, Jan dus ook.’

‘Moeten wij er iets mee?’
‘Wie, wij? Wat dan?’
‘Weet ik niet. Misschien moeten we Jan een hart onder de riem steken?’
‘Je bedoelt even langsgaan?’
‘Zoiets, of een belletje plegen.’

‘Ik zou hem bellen. Bezoeken is gelijk weer zoiets.’
‘Ja, kunnen we doen. Bel jij dan?’
‘Ja, prima. Doe ik meteen als ik thuiskom.’
‘Fijn, en zeg dan maar dat ik met hem meeleef.’
‘Zal ik doen.’

‘Zeg, ik moet er hier uit. Ik bel je wel als ik Jan heb gesproken.’
Ze stond op, tikte haar vriendin op haar schouder en verliet de coupé.

‘Ja, het is allemaal wat, meneer’, verzuchtte de achtergebleven dame in mijn richting.
Ik keek haar aan en knikte instemmend. Het was inderdaad “allemaal wat”.

Bart

Verkiezingen (1)

Verkiezingen (1)

‘Ga je ook nog stemmen, Bart? Volgende week bedoel ik’, vulde de op onze oprit gestopte mevrouw Boerstoel aan toen ik niet meteen reageerde.’

‘Stemmen?’
‘Ja, dat weet je toch wel? De verkiezingen!’
‘Verkiezingen? Moeten we weer stemmen? Dat is mij totaal ontgaan. Ik heb Truus er ook niet over gehoord.’

‘Kijk jij geen TV? Of zit je soms hele dagen in die schuilkelder van je.’ 
Ik merkte bij haar een lichte irritatie. Even volhouden nog.

‘Ja hoor, wij kijken altijd Netflix. Mooie series!’
‘En het actuele nieuws dan? Hebben jullie geen krant?’
‘Jawel, digitaal.’
‘Maar dan lees je toch ook alles over de verkiezingen?’
‘Blijkbaar niet.’

‘Maar in de digitale krant staat toch hetzelfde nieuws als in de gewone krant?’
‘Normaal gesproken wel, mevrouw Boerstoel.’
‘Wat bedoel je met “normaal gesproken?”.’ 
Ze vormde bij deze uitspraak haar vingers tot denkbeeldige komma’s.

‘Precies zoals ik het zeg. Maar wij hebben een speciale versie.’
‘O ja hoor, meneer Bart heeft weer een speciale versie.’
‘Jazeker, het voordeel van “digitaal” lezen is dat je politieke sprookjes, loze beloftes, haatzaaierij, ruzies, en fabels uit kunt zetten. Blijft er niets over.’ 

Bart


Smaak

Smaak

‘De koffie smaakt niet goed. Heb je soms andere bonen?’, vroeg ik Truus nadat ik tijdens ons tien uur koffiemomentje een eerste slok had genomen.
‘Ligt aan jou’, klonk de simpele maar snelle conclusie.

‘Hoezo aan mij?’
‘Je sopt je koekje in de koffie.’
‘En dan?’, vroeg ik strijdvaardig.
‘Dat verwoest de smaak. Heb ik al zo vaak uitgelegd.’
‘Dus mijn speculaasje verwoest de smaak van de koffie?’
‘Ja, maar dat geloof je niet.’
‘Zie jij een speculaasje?’, vroeg ik.
‘Nee want die zit nu in je maag.’

‘Truus, hou op. Ik heb nog geen speculaas gehad.’
‘Jawel, gisteravond. Toen heb je er twee gegeten. Toen zei ik nog: waarom twee?’
‘Dat was vanwege de smaak. Bij de tweede wordt de smaak beter. En dan, mijn tanden hebben de hele nacht in een bakje met steradent rondgezwommen dus dat neutraliseert.’

‘Alleen wat je tanden betreft’, concludeerde Truus.

‘Ja, en wat heeft dat met de smaak van de koffie te maken?’
‘Nou ja, misschien helpt het als je je mond ook een nachtje laat zwemmen. Aan de bonen kan het in ieder geval niet liggen.’

Bart

Brinta

Brinta

‘Weet u waar hier de Brinta staat?’, vroeg een oudere dame van achter de rollator in mijn richting. Ik liep met grote passen door de Super. Dat kwam omdat mijn “favoriete” caissière, buurtroddelaarster Karin Krul, net van het afrekenorgel was getrokken voor haar pauze. Zo zou ik zonder kleerscheuren kunnen ontsnappen. Maar goed, deze vriendelijke dame kon ik natuurlijk niet negeren. 

‘De Brinta? Ik denk in het gangetje hierachter’, peuterde ik uit mijn geheugen, waar het pal achter het luikje kleinkinderen verscholen lag.

‘Ach ja, mijn man eet elke ochtend Brinta. En dat is op. En aangezien hij slecht ter been is, moet ik eraan.’

Ik keek op mijn horloge. Pauze van een kwartiertje… ik had nog drie minuten.

‘Staat het boven in het vak?’, vroeg ze.
‘Dat zou kunnen.’
‘Wilt u het dan misschien voor mij pakken?’ 
Ze keek zo lief dat ik het onmogelijk kon weigeren. 
‘Blijft u hier maar even staan’, stelde ik voor. 

Ik liep met grote passen naar de gang, graaide Brinta en wilde net aan de terugweg beginnen… Tja, de minuten vliegen..

‘Ha die Bart, zit jij tegenwoordig aan de Brinta? Weer last van je tanden? Ja, dat krijg je als je ouder wordt! Misschien een nieuw gebit? Die van Roelofs heeft ook een nieuwe set. Die is nu weer van de Brinta af.’

‘O, kijk, mevrouw Krul’, riep de dame van de rollator die achter mij aan was geslopen.
‘Goede morgen mevrouw Gosens. Ik zeg net tegen deze meneer Bart dat Brinta enorm helpt als je slechte tanden hebt.’

‘O, is dat zo? Ervaring mee?’
‘Nee hoor want ik heb nog een uitstekend gebit.’

‘Gaat niet om uw gebit, het helpt namelijk ook heel goed tegen kletspraat. Misschien straks een extra pak mee naar huis nemen?’

Bart





Brinta(2)

Brinta(2)

‘Morgen Bart, hoe gaat het nou? Nog last van?’ 

Tot mij sprak Annie van den Heuvel, buurtgenote. Ze was gestopt bij onze oprit waar ik net door Truus buiten was gezet om de boel eens goed aan te vegen.

‘Wat bedoel je met “nog last van”?’
‘Je nieuwe gebit. Je hebt toch nieuwe tanden?’
‘Wie? Ik? Nieuwe tanden? Hoe kom je daar nou bij? Ik heb deze al vanaf mijn geboorte. Later is er nog wel een bos haar opgegroeid, maar verder geen probleem hoor.’
‘O, ik hoorde het van Karin Krul. Die had jou bij de Super gesproken.’

‘Hoe komt ze dáár nou weer bij!’
‘Nou ja, je pakte een pak Brinta uit het schap. En je ontkende net als nu dat je nieuwe tanden hebt. En dat is volgens Karin nou juist het teken dat er wel iets aan de hand moet zijn!’

‘Nou ja, om heel eerlijk te zijn, er is natuurlijk wel iets aan de hand’, zei ik terwijl ik het volume van mijn stem wat lager draaide.

‘Wat dan? Klemt het? Heb je een blaar? Mijn vader had altijd een nagelvijltje in zijn zak. Kon hij hem beetje bijvijlen.’
‘Was het maar zo simpel, Annie.’

‘O? Is het zo ernstig dan?’
‘Ja, en je moet echt oppassen want als ik nu boos word…’
‘Boos? Wat dan?’
‘Ik heb nu een gebit, gemaakt van Lama-bot. Als ik echt boos word begin ik enorm van mij af te spugen!’

Bart


Regen

Regen

‘Het is nu echt herfst, vind u niet?’, merkte ze op. We stonden bij de uitgang van de Appie. Zij met in haar ene hand een volle tas en in de andere een nog opgerolde paraplu. Ik met lege handen die zich in mijn jaszakken hadden begraven. Het regende pijpenstelen. 

Ik keek opzij. 
‘Ja, we duiken nu echt het najaar in.’

‘U heeft niks gekocht?’, vroeg ze.
‘Nee, het was op. Gisteren ook al. Het is eigenlijk al dagen op. Vak is leeg.’
‘Dat kan wel eens gebeuren’, vond ze.
‘Misschien even bij de Super langs?’
‘Nee, vandaag niet.’

‘Karin Krul?’, vroeg ze.
‘Karin Krul’, beaamde ik.

‘Ik moet zien dat ik de paraplu uit zijn jasje trek’, merkte ze op terwijl ze aanstalten maakte haar tas neer te zetten.
‘Kom maar. Mijn handen hebben niks te doen.’
‘O, als u dat zou willen… geweldig.’

Ze kwamen nu uit de garage en namen de plu aan. 

‘Er zit een knopje op.’
‘Ik zie het.’ 
De plu plofte open.
‘U wordt wel nat zonder plu.’
‘Ik kan heel hard lopen’, lachte ik.
‘U woont toch aan dat weiland?’
‘Klopt.’
‘Dan lopen we samen. Neemt u mijn boodschappentas, hou ik de plu vast.’
‘Goed plan, mevrouw. Maar ik loop dan wel achter de Super langs.’
Ze keek me aan.

‘Karin Krul?’, lachte ze.
‘Karin Krul’, beaamde ik.

Bart



Een uitje

Een uitje

‘Vanmiddag heb ik mijn breiclubje’, vertelde Truus tijdens ons tien uur koffiemomentje.
‘O, krijg ik weer een nieuw vest? En haal je die andere dan weer uit? Dan heb je wol genoeg.’
‘Nou, gelet op jouw nog steeds groeiende omvang kun je dat wel vergeten’, sneerde ze.

‘Wat ga je daar doen dan? Iets voor jezelf maken? Of schapen scheren?’
‘Bah, wat doe je weer flauw. Ik vind het gezellig. Even iets anders dan de hele dag jouw gezeur aanhoren!’ Ze lanceerde een knipoog.

‘Wat mij betreft Truusje maak je er een breiweek van. Heerlijk rustig.’
‘Jaja, en dan de hele week aan de patat zeker.’
‘Er bestaat ook nog zoiets als een pizzeria’, lachte ik.

‘O ja schat, voordat ik het vergeet: wil jij dan straks Mama even met de auto ophalen? Ze gaat ook mee.’
‘Hoezo? Kan ze niet op de fiets?’
‘Het regent.’
‘Ja, en? Is ze nu plotseling van suiker?’
‘Wat bedoel je met suiker?’
‘Zoals ik het zeg. Vorige week was ze nog van gepantserd staal. Ondoordringbaar.’

‘Daarom moet je haar ook ophalen, Bartje. Staal gaat met regen roesten. En dat kan op haar leeftijd funest zijn.’

Bart

Broer

De broer

‘Kunt u mij even helpen meneer’, vroeg een nog niet zo lang geleden uit een ei gekropen knulletje. Hij probeerde voor de Super zijn fiets uit een fietsenrek te trekken, maar omdat er een andere fiets pal naast stond, lukte hem dat niet.

‘Ik ga je helpen’, antwoordde ik resoluut. Ik pakte de andere fiets bij zijn kladden, trok hem iets naar achteren waardoor het fietsje van het knulletje de vrijheid kreeg om te ontsnappen.
Dankjewel meneer’, riep hij blij.

‘Wat moet jij met mijn fiets’, hoorde ik een zwaargewicht achter mij roepen.
Ik keek om.
‘Ik help dit kind met zijn fiets.’
‘Welk kind?’
‘Dit kind’, wees ik naar een lege plek naast mij.

‘Ik zie geen kind.’
‘Niet?’
‘Nee, en je begrijpt wel wat ik bedoel, sukkel!’
‘Ik zie ook geen sukkel. Ik moest je fiets een stukje naar achteren trekken om dat kind te helpen.’
‘Je moet met je poten van mijn fiets afblijven, broer!’, riep hij rauw. 

‘Met mijn “poten? Broer?”
‘Ja, je hoort me toch wel?’
‘Ik hoor je. Maar als jij inderdaad mijn “broer” zou zijn geweest, dan zou je niet zo praten. Dan was je, net zoals ik, fatsoenlijk opgevoed.’ 

Bart

Poetsen

Poetsen

‘Hé Carla, wat zag ik, heb je de Porsche gepoetst?’, vroeg ik toen ze aan onze oprit voorbij kwam lopen. Ik stond net te vegen.

‘Ja, hij was er weer aan toe. Zwart hè, daar zie je alles op’, zuchtte ze.
‘Klopt, Truus scheldt ook altijd op ons zwarte aanrecht. Je blijft poetsen.’

‘Het liefst rij ik door de wasstraat, maar dat is niet goed voor de lak zegt de dealer. Krast.’
‘Ja, dat heb je met Porsches. Staan ze om bekend.’
‘Het zal Bart.’

‘Maar van krassen heeft Truus dan weer geen last. De lak is massief hard. Krasvast.’
‘Maar waarom loopt ze dan zo op dat aanrecht te schelden?’
‘Nou ja, het blijft veel werk. En zwaar.’
Ze keek me verbaasd aan. ‘Snap ik niet.’

‘Ik wel, elke week dat blad losschroeven en ermee door de wasstraat rennen is bijna niet te doen.’

Bart

Op zoek

Op zoek

‘Bart, loop jij even naar de voordeur. De vrouw van Hans Vruggink staat voor de deur.’
‘Rietje?’
‘Nee, Moeder Theresa. Doe even open!’
‘Ik ga al’, riep ik vanuit de gang.

‘Rietje Vruggink, wat kan ik doen om jouw leven mooier te maken dan het al is’, begroette ik haar.’
‘Hoi Bart, jij bent precies degene die ik moet hebben.’
‘O? Eh… ik ben onschuldig’, grapte ik terwijl ik mijn armen hoog stak.
‘Heb jij gisteren toevallig mijn Hans bij Carla naar binnen zien glippen?’, vroeg ze.
‘Hoezo ik?’
‘Omdat jij hele dagen vanaf jullie oprit de buurtbewegingen in de gaten houdt. Dus bestaat er een grote kans dat jij mijn vraag positief kan beantwoorden.’
‘Rietje, ik heb echt geen idee. Niks gezien. Ben je Hans kwijt?’
‘Nee, was dat maar waar. Nee, onze hond.’
‘Hond?’
‘Ja, Hans zou hem in de gaten houden, want er rent volgens hem een loops teefje door de buurt.’
‘En vanwaar dan jouw vraag?’
‘Nou ik verdenk hem ervan dat hij niet naar onze hond heeft gezocht, maar naar het loopse teefje.’

Bart

Discussie

Discussie 

‘Morgen Bart, Truus thuis?’ 
Voor mij stond onze buurvrouw, Agnes. Ik was net bezig een lastige brandnetel zijn nek om te draaien. 

‘Als ze niet al via de achtertuin is ontsnapt, dan is er een kans dat ze thuis is. Ik denk dat ze zich in de kelder heeft opgesloten.’

‘Ontsnapt? Opgesloten?’

‘Ja, we hadden een dingetje vanochtend. Maar jij in je rol van maatschappelijk werkster snapt dat vast wel. Zulke dingen gebeuren.’

‘Goh Bart, moet ik nu mijn overal aantrekken om jullie dingetje op te ruimen?’
‘Zou ik me niet mee bemoeien. Ik heb namelijk gelijk. Ik heb altijd gelijk. Dus, je interventie is niet nodig.’

‘Ik begin me toch wel een beetje ongerust te maken. Hoezo had je dit keer gelijk?’
‘We hadden een discussie. Over dat jij vanochtend langs zou komen om te vertellen dat je een nieuw vriendje hebt.’

‘Hoe weet je dat?’
‘Heb ik gehoord.’
‘Gehoord? Van wie?’
‘Van mijn schoonmoeder. Die is vannacht uit haar fotolijstje wat aan onze slaapkamermuur hing gedonderd.’

Bart

Dansles

Dansles

‘Ik sprak Annie gisteren. Weet je wat zij samen met Joop gaat doen?’, vroeg Truus tijdens ons tien uur koffiemomentje.
‘Emigreren naar de zuidpunt van Java?’, vulde ik in.
‘Dansen. Ze gaan op dansles.’

‘Dansen? Joop gaat dansen?’
‘Ja, haar neef heeft een dansschool. Die had voor het nieuwe cursusseizoen nog een paar plekken over.’
‘En hoe gaat Jopie dat doen?’
‘Wat bedoel je?’
‘Nou ja, hij heeft het ritmegevoel van een nijlpaard, is zo flexibel als een lantaarnpaal en heeft de snelheid van een duracelkonijn zonder  batterij. En Annie…’
‘Ze ondernemen tenminste iets, Bart’, onderbrak ze mij.

Ik voelde een naderend gevaar. Het was nog wel een eindje weg, maar toch…

‘Annie had geen zin om weer een hele winter binnen te zitten. Leuk toch?’
‘O ja hoor, geweldig. Echt een leuk idee.’

Ik moest er toch niet aan denken. Dansen. We hebben ooit voor ons trouwen dansles gehad. Omdat we de bruiloft moesten openen met de eerste dans. Aangezien ik vond dat ik die na één les al onder de knie had, en de dansleraar een andere mening was toegedaan, werd ik vriendelijk verzocht de rest van de cursus voor gezien te houden. Kregen zelfs geld terug.

‘Wij moeten eigenlijk ook iets doen’, hoorde ik Truus zeggen.

Ik trok aan de noodrem. 

‘Al ga je op je handen staan, Truus. Ik ga niet dansen. Geen denken aan!’
‘Nee, natuurlijk niet. Dat word nu niks.’
‘Dat bedoel ik’, zuchtte ik opgelucht.
‘Daarom heb ik ons ook ingeschreven voor  ritmische bejaardegymnastiek.’

Bart

Defect

Defect

‘Bart, wil jij meteen even naar Mama fietsen? Ze belde net. Haar tablet doet het niet.’
‘Hallo, ik ben nu bezig. Kan dat vanmiddag niet?’
‘Nee, want ze moet vanochtend een afspraak maken voor vanmiddag. En dat kan alleen digitaal.’

‘Wat is dat voor een kolder. Met wie moet ze een afspraak maken dan?’ 

Ik kon hier zo van balen! Was ik net lekker op mijn opritje aan het werk, was er weer dikke paniek in de hut.

‘Haar verwarming doet het niet en je kunt alleen een spoedmelding via internet doen.’

‘Verdorie Truus. De mussen vallen dood van het dak! Kan ze niet gewoon bellen en tot morgen wachten?’
‘Nee, je kent haar, het moet snel want ze heeft last van koude voeten. Dat heeft ze nou eenmaal.’
‘Ze heeft wel meer dingen’, mopperde ik uit volle borst.
‘Joh, spring op de fiets en help haar.’

‘En wie zegt dat ik haar tablet kan repareren?’
‘Dat zegt zij.’
‘En waar haalt ze die wijsheid vandaan?’
‘Het stond op het scherm.’
‘Wat stond er dan op het scherm? Smeek je schoonzoon om hulp?’

‘Nee, iets over een lege batterij. Die heeft ze niet in huis. Of je er dan meteen een paar extra mee kunt nemen!’

Bart

Bart

Vakantie

Vakantie 

‘De Meijers gaan drie weken naar Spanje’, vertelde Truus. We zaten aan de koffie tijdens ons tien uurtje.

‘O, dat geeft onrust in de buurt’, voorspelde ik.
‘Nou, je hebt nogal veel last van ze. Je hoort ze nooit!’
‘Nee, behalve als ze een vakantie naar Spanje aankondigen’, zei ik na een eerste slokje.

‘“Onrust” omdat ze naar Spanje gaan? Waar heb je het over?’
‘Nou ja, ze hebben het wel rondverteld. En daar begint het mee.’ 

‘Wat begint waar mee? Ik snap het niet.’
‘Truusje, iedereen in de buurt heeft het er nu over, snap je?’
‘En dat ervaar je dan als overlast?’
‘Nou, dat nog niet zo, maar over wat er komende dagen nog allemaal gaat volgen.’
Ik zag het lijk alweer drijven.

‘Wat gaat er “komende dagen” dan voor een overlast ontstaan?’
‘Gezeur.’
‘Wie gaat er zeuren?’
‘Jij en alle andere dames in de buurt. Dat jullie ook allemaal drie weken naar Spanje willen.’

Bart



Vergeten

Vergeten.

‘Heb je nou nog gebeld voor een afspraak?’, hoorde ik Truus vragen tijdens ons tien uur koffiemomentje. 

Pffft, ik moest nu gaan bekennen dat ik het was vergeten. Extra vervelend omdat ik afgelopen dagen wel meer zaken ben vergeten. Zo was ik vergeten de kliko aan de weg te zetten en gisteren nog: mijn schoonmoeder van het station te plukken. Vooral dat eerste had nogal wat impact: nu zaten we drie weken met de vuilnis te schutteren.

‘Zeker vergeten?’

De manier waarop het uit haar mond rolde sprak boekdelen. Vrouwen beschikken over het fatale talent om “gelijk” te etaleren alsof het om een overwinning van de miss-world verkiezing gaat.
Ik knikte.
‘Ik heb het wel drie keer tegen je gezegd.’
‘Klopt Truus, ik dacht zelfs vier keer.’
‘O, dus dat ben je niet vergeten!’
Ze keek me hoofdschuddend aan.

‘Ja, je kunt wel zo raar kijken, maar het is nu eenmaal de “week van het vergeten”.’
‘Jaja, je gaat weer lekker!’

‘Trouwens Truus, wat zit je haar leuk!’
‘Mijn haar leuk? Waar slaat dit nou weer op? Ik moet vanmiddag pas naar de kapper.’
‘Klopt. Ik zeg het nu maar vast. Voor als ik het mocht vergeten.’

Bart

Een droom

Een droom

‘En, lekker geslapen?’, vroeg een gapende en ontwakende Truus naast mij.

‘Ik heb gedroomd’, zei ik. ‘Zat tegen een nachtmerrie aan.’
‘Klopt. Je werd vannacht plotseling heel onrustig. Alsof je haast had. Kun je je het herinneren?’
‘Ja, vaag. Ik werd gebeld door de politie. Ze hadden je moeder van de A12 geplukt.’

‘Mijn moeder? Van de A12?’, lachte ze. ‘Ze heeft niet eens een rijbewijs.’
‘Had ze ook niet nodig. Ze was met de fiets.’
‘Op de fiets? Kun je nagaan hoe raar je kan dromen.’
‘Nou, haar kennende is dat helemaal niet zo raar.’

‘En toen?’
‘Ze hebben haar meegenomen naar het bureau.’
‘O, kijk. Maar gelukkig was ze veilig. En hebben ze haar daarna naar huis gebracht?’
‘Nee, daarom belden ze.’
‘Wat, moest je haar ook nog ophalen?’
‘Ja, en met spoed.’

‘Was het zo erg?’
‘Ja, want ze zaten in de cel.’
‘Ze “Zaten”? Was ze niet alleen dan?’
‘Jawel. Ze was alleen.’
‘Hoezo dan “zaten”?’

‘De agenten die haar hadden meegenomen, hadden zichzelf opgesloten. Voor hun eigen veiligheid.’

Bart

Zoekplaatje

Zoekplaatje 

‘Ik hoorde van die vrouw hierachter dat Johan en Betsie gaan scheiden’, vertelde Truus tijdens ons tien uur koffiemomentje.

‘Johan en Betsie en de vrouw hierachter. Die spelen geen van allen een rol in mijn leven, Truus. Ik ken ze niet.’
‘Ach jawel, Johan is die man die wel eens bij Carla komt. Van de Porsche.’
‘De melkboer komt ook wel eens bij Carla.’
‘Die komt niet bij Carla want er rijdt hier geen melkboer.’
‘Dan is het de bakker. Hoe dan ook, Truus, ik ken geen Johan.’

‘En Betsie is er één van Vriesen. Die van de Schoolstraat. Uit dat grote gezin.’
‘Schoolstraat?’
‘Ja, waar de basisschool staat. Waar jij ooit ook op hebt gezeten.’
‘Die was aan de Dorpsstraat.’ Ik wist dat zeker.
‘Ja, de achteringang. Maar officieel staat hij aan de Schoolstraat. Daarom heet die straat ook Schoolstraat.’ 
Mooi’, zuchtte ik verveeld. ‘Weer wat geleerd.’

‘Trouwens, die vrouw hierachter is mevrouw Roelofsen. Zij is van die man met die blokfluit waar jij zo’n hekel aanhebt.’
‘Roelofsen? Die heet toch Goosen?’
‘Nee, dat zijn hún overburen. Roelofsen. Grada Roelofsen. Zij is bevriend met Betsie.’

‘En wie is dan Betsie?’
‘Ja, dat is de vrouw van Johan. Dat vertelnik net.’
‘Vrouw van? O, die, ik dacht dat ze gescheiden waren.’

Bart

Nieuwe schoenen

Nieuwe schoenen 

‘Ik heb nieuwe schoenen nodig’, meldde ik tijdens het tien uur koffiemomentje.
‘Nieuwe schoenen?’, klonk het verbaasd van de overkant van de tafel. ‘Je hebt pas nieuwe.’
‘Die zitten niet lekker’, evalueerde ik.
‘Hoezo niet?’
‘Weet ik veel, mijn tenen kwamen met dat verhaal.’
‘Hoezo zitten ze niet lekker? En nu graag een normaal antwoord.’ 
‘Mijn tenen hebben te weinig ruimte. Ze voelen zich opgesloten. Langer dan een uur houden ze het niet vol.’
‘Komt omdat je rare tenen hebt’, klonk de diagnose.
‘Rare tenen?’
‘Ja, ze zijn krom en hebben een rare lengte.’
‘Er mankeert helemaal niks aan mijn tenen, Truus. Ze doen trouw hun werk. Elke dag opnieuw.’
‘Maar met die bruine schoenen heb je geen last?’
‘Nee, daar voelen ze zich prettig in. Nét zoals in die grijze instappers, mijn sandalen en de sneakers. Volop ruimte en gezelligheid. Ik hoor geen klachten.’
‘Gezelligheid? Tenen?’
‘Ja, mogen ze alsjeblieft?’
‘Van mij wel. Maar laat ze dan alsjeblieft niet zo klagen als ze zich een keertje een uurtje moeten opofferen!’

Bart


Geldingsdrang

Geldingsdrang

‘Waarom fietste jij zo hard’, vroeg ik Truus. We hadden er net een ritje schoonmoeder opzitten en stonden nu voor de garage.

‘Ik fietste niet hard. Jij fietste zo langzaam.’
‘Truus, ik had de teller op ruim twintig staan en toen kon ik je nog niet bijhouden.’
‘Ik reed ook ruim twintig.’
‘Jij hebt dus een heel andere “ruim” dan ik. Ik ben bekaf.’

‘Dat heet “gebrek aan conditie”.’
‘Ik noem het geldingsdrang. En dat zit in je genen.’
‘Hoezo in mijn genen?’
‘Je moeder heeft dat ook.’
‘O ja, mijn moeder.’
‘Ja, dat heb ik een uurtje geleden weer ervaren.’


‘Zet jij de fietsen in de garage?’
‘Ja, praat er maar overheen.’
‘Waar overheen?’
‘Over mijn recente ervaring met je moeder.’
‘En wat was dat dan? Die “recente ervaring”.’
‘Dat ze over elk onderwerp onuitputtelijk kan blijven doordrammen. Word je doodmoe van.’

‘Dat heeft niks te maken met geldingsdrang.’
‘O nee?’
‘Nee. Zoals ik al zei: heeft alles te maken met jouw gebrek aan conditie.’

Bart


Een vlek

Een vlek

‘Er zit een vlek op je trui’, constateerde Truus bij mijn binnenkomst na de dagelijkse opleukactiviteit van douchen en aankleden.

‘Klopt. Die hoort bij deze trui.’
‘Hoezo “hoort” hij bij de trui?’
‘Zit er al in zolang ik hem draag.’
‘Onzin Bart. Je hebt geknoeid.’

‘Wat is het? Tandpasta? of…’ 
Ze kraste met haar nagel over de vlek.
‘Ja hoor, tandpasta! Hoe vaak moet ik je niet uitleggen dat je eerst je tanden poetst en daarna pas je trui aantrekt. Je bent ook net een klein kind!’

‘Bij kleine kinderen helpt de mama met poetsen. Waar was jij vanochtend?’
‘Hou toch op man. Moet ik je ook nog helpen?’
‘Nou ja, het schijnt te helpen tegen het knoeien.’

‘Hoezo helpt het tegen knoeien?’
‘Je zegt net dat ik een klein kind ben, dus ligt de verantwoordelijkheid van deze vlek volledig bij jou.’

Bart

Knechtje

Het knechtje

‘De koffiebonen zijn op, wil jij even een nieuw pak uit de kast halen?’, vroeg Truus vanuit de keuken.
‘Kun je dat zelf niet?’
‘Nee, ik ben hier met drie dingen tegelijk bezig. Afwassen, opruimen en koffie aan het zetten. Dus verzoek ik je vriendelijk doch dringend om even bonen te pakken. Liggen in de stellingkast. Tweede plank rechts.’

‘Mijn moeder bezigde in dit soortgelijke gevallen altijd een gouden spreuk.’
‘Wat dan? En maak een beetje aan want ik sta hier te wachten.’

‘Mijn moeder zei altijd: Als je me gisteren had gehuurd, was ik vandaag je knechtje geweest. Mijn moeder was een wijs mens. Ik heb het niet van een vreemde.’
‘Nou Bart, wat dat betreft: het is dat ik bij ons trouwen jouw uittreksel van het geboorteregister heb gelezen. Anders was ik toch echt aan het twijfelen gekomen.’

Bart

De Jongens

De Jongens

‘Ik vind het koud’, merkte Truus op tijdens ons tien uur koffiemomentje. ‘Niet lekker.’
‘Zo koud is het nog helemaal niet, schat. Bovendien moet het nog winter worden.’

‘Daar gaat het niet om. Het gaat erom dat ik het koud vind. Of heb je daar bezwaar tegen?’
‘Nou, geen bezwaar, maar ik ben van mening dat we tegenwoordig te snel klagen. Vroeger, toen ik nog een piemke was, vroor het soms wel twintig graden. Nooit geklaagd.’

‘Ik behoorde zelfs tot de Jongens van Jan de Witt.’
‘Was dat de padvinderij?’
‘Nee, een beweging die van aanpakken hield. Harde jongens die het woord “klagen” uit hun vocabulaire hadden geschrapt. Mannen die tegen een stootje konden.’

‘En jij hoorde bij “de jongens”?’
‘Jazeker Truus. Wij sleepten ons door de sneeuw, hielpen buren met ruimen, kapten hout, schepten kolen uit het kolenhok, kortom, wij waren de jongens die Nederland door de donkere dagen hebben gesleept. De jongens van Jan de Witt.’

Ze keek me aan.
‘Klaar?’
‘Wat bedoel je?’
‘Of je bent uitgezongen. Met je autobiografische lofzang.’
‘Wat bedoel je? Geloof je me niet?’

‘Ik heb het idee, Bart, dat je lang geleden of geroyeerd bent of dat je zelf het lidmaatschap van “De Jongens” hebt opgezegd.’
‘Slaat dat nou weer op?’
‘Toen ik je vorige maand vroeg om de tuin winterklaar te maken, vond je het te nat en veel te koud. Ik bedoel maar.’

Bart